Het is een soort niets dat ik zoek. Wat je overhoudt
als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken:
je beide handen. Geuren lanterfanten door de tuin.
Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar
Landschappen, verstilling en de vragen die de natuur oproept.
November
Er hangen nog twee blaren
aan mijn esdoorn. Duizend andere zijn
rood geworden, alvorens dood.
Vergeten te kijken.
Februari
De berken staan grauwwit
als dunne aspergeachtige damesbenen
voor het eerst zonder nylons.
Het kreupelhout schuurt knisperig
Steepletop
Hoor eens jij, basilicum, en jij
daar, Lemon Verbena, jullie allebei:
nu is het aan jullie om je wat te sterken
tegen de vorst. Ik zorgde voor snoeien.
Sneeuwstorm
In mijn streek zegt men 'ver' in de zin van
'bijna'. Het is al 'ver' winter.
En zo ver is het inderdaad. Sneeuw is eeuwig leven
op een wit blad zonder letters geschreven,
Zoals dit eiland van de meeuwen
Zoals dit eiland van de meeuwen
is en de meeuwen van hun krijsen
en hun krijsen van de wind
en de wind van niemand,
Pointillisme
Sloten onder kroos, pointillisme
van groen, stilliggend geril
van begin, natuur die vijf miljard puntjes tegelijk
op haar i's zet.
Opnieuw
Een angorakat in de sneeuw: afgemeten,
om niet met elke stap zichzelf in al
dat witte te vergeten.
Sneeuw blijft het weten.
St. Ives, kerkhofje
Op dit kerkhof lijkt de dood zelfs op haar beurt gestorven,
de zerken op hun beurt begraven, onder gras
dat leeft en vrolijk overleeft
op grond van wat er destijds was.
Flamingo’s
Flamingo’s op poten zo dun als de ff’s
van mejuffer, of als twee sigarette-
pijpjes waaraan ze zuinig de rook
van zichzelf opzuigen: met dit soort
Middenin de vlakte van juli
Middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen. Ik woon hier, zei je.
Ik keek naar de bloemen. Ja, dat zie ik,
zei ik, en waar leerde je de kunst
Nevel is ‘t niet meer voorbijgaan
Nevel is ‘t niet meer voorbijgaan
van iets moois dat al volbracht is.
Nevel is gelukkig haast niet meer bestaan,
niet meer moeten
Flamingo’s
Ze zijn er bijna niet
zoals heel slanke vrouwen
na heel licht verdriet.
Met hun poten als met een dun pincet
Nachtgezicht
Vaak in den trein, bij 't dond'ren door den nacht
Langs diep-gelegen, ruig-begroeide slooten,
Komt vluchtig-fijne maneglans gevloten
Op donker water, dat dan even lacht.
De stroomzwaan
Stroomzwaan, hoort ge, wat de vliet
Aan zijn trouwe oevers fluistert,
Waar hij eeuwig in gekluisterd
Prevelt met het suizlend riet,
XV. Avondzang
Het zuidewindje suist door zwarte twijgen,
En kust het slapend dons der zangers teeder, -
De zilvren boomen wiegen heen en weder,
En doen hun schaduw met hen mede nijgen, -
Zingende muggennevel
Zínge-zange-zínge-zange-zínge-zange-zeure...
Wáar 'k me wende, kom of kere, achter mij of veure,
wáar mijn oor, gespannen luistrend, spitsen moog en speuren,
almaar door en heinde en verre 't zelfde klankgebeuren,
Jonge terwe
De terwe staat te blaaierblekken,
Breêblaarde en blad op blad gevlijd,
Met ijdle plaatsen, zware plekken
Vol donkerdikke groenigheid.
[De lucht was als een perzik]
De lucht was als een perzik,
de maan een diamant,
zwellende lentenevels
bloeiden aan alle kant.
[Zooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan]
Zooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan,
verzadigd krachtig, in het hoog gezag
des avonds met in 't oog vierkant de dag
van licht, waardoor zij zwaaiend zijn gegaan.
De Noordzee
De Noordzee doet zijn gore golven dreunen
En laat ze op 't strand in lange lijnen breken.
Zijn voorjaarswater marmren groene streken
En schuim en zwart waaronder schelpen kreunen.
Winternacht
De volle maan beschijnt de donzen daken
En schittert schel op mijn bevrozen ruiten.
Ik hoor den wind door poort en schoorsteen fluiten,
De honden huilen en de meubels kraken.
[Regelmatig gingen regelen wateren]
Regelmatig gingen regelen wateren
de kust langs, in 't vloedend oneindige,
het water dat zich nooit te reinigen
behoeft - allen, de eerste en de lateren.
[’t Is eind augustus, zondag. - Blauwig waas]
'T is eind Augustus, Zondag. - Blauwig waas
Om verre dennen in laat middaguur;
Naar 't glooiend stoppelveld, vol sprietjes vuur,
Uit stofwolkjes van grindweg loopt een haas.
Violenbed
Het heele perk was vol: je zag geen zand.
De paarsen leken ernstige oude heertjes,
De bruinen glanzend-moll'ge, goed'ge beertjes,
De gelen pluimen van een goudfazant;
Herinnering aan Holland
Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
Gemakk’lijk lig ik in mijn leuningstoel
Gemakk'lijk lig ik in mijn leuningstoel
naast 't rode pluche van zonnig tafelkleed;
Plancks quantenleer zou 'k lezen, maar 'k vergeet
van mijn hier-zijn 't hoogst wetenschapp'lijk doel:
[Ten tragen heuvel-flank waar trouwe schaâuwen valen]
Ten tragen heuvel-flank waar trouwe schaâuwen valen
hangt, als een draal'ge schapen-kudde, een waarge smoor.
En 'k voel, bezonke' in mij, 't geslonken dage-dalen,
en schouw in milde zekerheid de misten door.
[De dag gaat open als een gouden roos]
De dag gaat open als een gouden roos;
ik sta aan 't raam en zend mijn adem uit,
het veld is stil, en nauwlijks één geluid
breekt naar het koepelblauw bij tusschenpoos.
[De dag schuift vóor den Dag gelijk een lucht vol rozen]
De dag schuift vóor den Dag gelijk een lucht vol rozen.
- Neen, blind uw blikken niet, want gij zult blíjven zien
door 't ijl gordijn van 't uur dat glijdt de prille, brooze
vereeuwiging van wat gij nimmer kent, misschien.
[De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining]
De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend Schoon en kent zich-zelve niet.
Schaduw
Ik heb de liefde liefgehad;
daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zoo doet de mooie minnaar
met een zeer verliefde kind.
Soerabaja
Onder de bruggen van Soerabaja
slingert zich donker en diep de rivier,
en door zijn straten, en door zijn stegen
wringt de verdichting zich van het vertier.
Het schrijverke
O krinklende winklende waterding,
met 't zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op 't waterke gaan!
O 't ruischen van het ranke riet
O! 't ruischen van het ranke riet!
o wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
Ego flos...
Ik ben een blomme
en bloeie vóór uw oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
De sneeuw
't Grimmig Noorden sloeg door 't loover
Als een snijdend zwaard;
Al 't geboomte stond ontblaârd;
d'Akker schoot geen oogst meer over
De vogelen
't Groen puilt naauwlijks uit de boomen,
Of daar zijn ze weer in 't hout,
Al die zwervers, jong en oud.
Waarvandaan toch of ze komen?
Voorjaarsavond
De avond is windeloos over
de wazige aarde, en 't loover
der duistere boomen is stil...
O groen-vervagende wanden
Lente-lied
Vanochtend kwam de lente; en als een regen,
Drenkt zij de wereld met haar jeugdigheid;
Zij luwt en labbert langs de vochte wegen,
Als langs de wangen van de prille meid,
Uit Brabant
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar den kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Oogstlied
Sikkels klinken;
Sikkels blinken;
Ruischend valt het graan,
Zie de bindster gaâren!
Het geitenweitje
Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje
Bij de groote geit.
Geiteke, wat moet je
I. Dageraad.
Snel glijdt mijn voet op mos en geurig kruid,
waar morgendamp de sluimerende lanen
in blanke mantelplooien hult. Reeds luid
klinkt, op de hoeven, 't schor gekraai der hanen.
Vogels.
Daar is een fijn gekwetter in de lucht
Van vele vogelkelen,
Mij blijft dit lichte vogelengerucht
Alwaar ik ga, omspelen.
Herfst
Zij die vóór mij kwamen en dichters waren,
zij hebben hun droefenis, in de Herfst, uitgesproken
en eenheid gevoeld tussen hun gebroken
leven, met het vaarwel aan de drommen hunner dromen,
Maart.
't Is pas Maart, de winterweiden
Dragen nog een waasje wit
En de zwarte akkers beiden
't Zaad nog naakt en omgespit.
Een vijver
De wind deed de golven klotsen en slaan,
zij hebben zijn wilde woorden verstaan.
Toen gaf hij het schuimende water een stem,
toen sprak het zijn woord en behoorde hem.
Als November is gekomen... Rondeel.
Als November is gekomen
En de regentijd breekt aan,
Als de boomen in de laan,
- Ach, de bladerlooze boomen! -
[De zon. De wereld is goud en geel]
De zon. De wereld is goud en geel
en alle zonnestralen komen heel
de stille lucht door als engelen.
Haar voetjes hangen te bengelen,
Storm
Wolk-overweende maan
Lacht open af en aan,
Bevloeit met zilverkanten vorm
Het sombre park waar om
Oktober.
De blaadjes waaiden
Langs alle wegen,
De blaadjes draaiden
In kringen rond -
[De stille weg]
De stille weg
de maannachtlichte weg -
de boomen
de zoo stil oudgeworden boomen -
Valavond
Nu is van Californisch goud de tijd;
de sterrevende zon vergaart
haar krachten voor een laatste vaart,
de laatste van die dag, ter aardewaart.
[De boomen waren stil]
De boomen waren stil,
de lucht was grijs,
de heuvelen zonder wil
lagen op vreemde wijs.
Sneeuw
De vlokken vallen, vallen,
- hoog, schimmen in grijze lucht -
en dalen, dalen allen
en lichten in lage vlucht.
[Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht]
Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
De witte bloesems in de scheemring - ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele, al te late vogel vliedt.
Wintermuggen
De wintermuggen zijn
aan 't dansen, ommentomme,
zoo wit als muldersmeel,
zoo wit als molkenblomme.
[De heide is maar stil]
De heide is maar stil,
het overal vol licht,
en als een zilverspil
het zonnelicht;
Regendag
Grijs gewelf met grauwe vegen,
Koepel van ons huis,
Waarom stort ge uwe tranen tegen
't Venster van m'n kluis?
[Beweeglijk bloemperk op stil blauw kanaal]
Beweeglijk bloemperk op stil blauw kanaal,
Flikkeren, fel, hupp'lende zonnestippen,
Soms plotselinge lisch met gouden slippen,
Soms gouden pijlkruid, plots'ling vertikaal:
Rozenboompje.
Als de zon des avonds daalt
Staat mijn rozenboom vol rozen
Nog in 't avondlicht te blozen,
Dat zijn kruintje overstraalt.
Tranen
't Is nevelkoud,
en, 's halfvoornoens, nog
duister in de lanen;
de boomen, die 'k
Avondwind
Ik lieve, wat des avonds in
De winden hangt te neuren...;
Die melodijkens zonder zin,
Die lachen noch en treuren.
VIII. Zomeravond.
De kleine villa's met haar bloemenhoven
zijn voor mijn oog, dat voorwaarts blikt, verdwenen.
Hier blauwt een wijde vijver, waar omhenen
de boomen, vol verlangen, nader schoven.
Octoberboomen
Hoe schoone, och, hoe veel schoonder is,
al moete 't nu gaan sterven
eer langen tijd van hier, hoe schoon,
en schoonder duizendwerven,
Lenterijm
Nu streept er in stad, op de grachten,
groen tintje de boomenrei...
Wat is het: een droom, een gedachte
of een groet van de komende Mei?
Regen
De bui is afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond-
gewelfde wolken; over is gebleven
X. Naar 't woud!
Ik wil in 't woud den zomerdag verdroomen.
Den landweg langs, waar vogels vreugde melden,
waar lichtgroen lommer neerzijgt van de boomen,
en blauwe vlinders vaak mijn stap verzelden.
October
Getij van Westerstorm en stille wolkedagen,
Van zondoorvloeiden nevel, mistvergulden dauw, -
Alleen de blijdschap van een god kan lachend dragen
De zijden weelden van uw weemoeds kleurgen rouw.
Zomermorgen. Rondeel.
Aanstonds, toen ik wakker werd,
Scheen de zon mij in de ruiten
En de vogeltjes daarbuiten,
Van nabij en in de vert,
Meidag
De kerzelaar zijn trouwgewaad
heeft aangedaan:
vandage moet hij, meidag is 't,
ter bruiloft gaan.
Staren door het raam
Er is een leven in wat bewegen,
de takken beven een beetje tegen
elkaar. Een even beginnen schudt
elke boom: een bezinnen dit,
De waterlelie
Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zoo blank is en zoo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.
Rijzend uit donker-koelen vijvergrond,
Melopee
ONDER de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee
Langs het hoogriet