Gij zijt een stille witte blinkesneeuw,
gij zijt een blinke zeeë tintelzee.
[O koele zwarte ademen van den nacht]
O koele zwarte ademen van den nacht,
stil vlietende kannen van wijnzwart gebracht
in haar rouwvingeren slepend zoo zacht -
gaat lavende tot waar mijn liefste wacht.
[Zooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan]
Zooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan,
verzadigd krachtig, in het hoog gezag
des avonds met in 't oog vierkant de dag
van licht, waardoor zij zwaaiend zijn gegaan.
[Regelmatig gingen regelen wateren]
Regelmatig gingen regelen wateren
de kust langs, in 't vloedend oneindige,
het water dat zich nooit te reinigen
behoeft - allen, de eerste en de lateren.
[De arbeiders dringen zich aan den trog]
De arbeiders dringen zich aan den trog
der kennis, en eten ze, ach, zoo graag,
hoe talrijk zijn ze, en leeg is hun maag,
hoe slobbren ze allen aan het karig zog.
[Het socialisme het is een eikeltje]
Het socialisme het is een eikeltje,
het is een ster van uit de vert gevallen,
het is een kindsdroom die tot waarheid werd,
het geluk gouden, plotsling met een vaart
[O dichters, ziet ge niet dat hier de bron]
O dichters, ziet ge niet dat hier de bron
is van het drama, en het heldendicht,
en de lyriek, dat alle poëzie
uit de wel der toekomst te scheppen is?
[O klaar, klinkklaar Holland van water en lucht]
O klaar, klinkklaar Holland van water en lucht,
O grijs België, zonnig Korenland,
Frankrijk, woest Spanje, lachend Italië,
O steunend Rusland, en 't verdeelde land
[De dag gaat open als een gouden roos]
De dag gaat open als een gouden roos;
ik sta aan 't raam en zend mijn adem uit,
het veld is stil, en nauwlijks één geluid
breekt naar het koepelblauw bij tusschenpoos.
[Zie je ik hou van je]
Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht -
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.
[Toen de tijden bladstil waren, lang geleen]
Toen de tijden bladstil waren, lang geleen,
is ze geboren, in herfststilte een bloem,
die staat bleeklicht in 't vale lichtgeween, -
regenen doen de wolken om haar om.
[Ik zat toen heel stil te werken]
Ik zat toen heel stil te werken,
de boeken waren als zerken
voor me, ik wist wel wat
elk graf in zich had.
[Wij zilvren wezens, nevellichten, gewassen]
Wij zilvren wezens, nevellichten, gewassen
neven elkaar, onzeker, wilden het licht:
In misten van donker, onze groote vragen
vreemdelinge in scheemre mist om licht -
[De zon. De wereld is goud en geel]
De zon. De wereld is goud en geel
en alle zonnestralen komen heel
de stille lucht door als engelen.
Haar voetjes hangen te bengelen,
[De stille weg]
De stille weg
de maannachtlichte weg -
de boomen
de zoo stil oudgeworden boomen -
[De boomen waren stil]
De boomen waren stil,
de lucht was grijs,
de heuvelen zonder wil
lagen op vreemde wijs.
[De heide is maar stil]
De heide is maar stil,
het overal vol licht,
en als een zilverspil
het zonnelicht;
[Het is weebleekerig grijs]
Het is weebleekerig grijs,
het regent wat,
de wind zingt een arme wijs,
de daken zijn nat.
[Ik ben alleen in het lamplicht]
Ik ben alleen in het lamplicht,
de dingen kijken met een glad gezicht,
om me in 't licht.
De dingen staan om me zoo stil
[Gij staat zoo heel, heel stil]
Gij staat zoo heel, heel stil
met uwe handen, ik wil
u zeggen een zoo lief wat,
maar 'k weet niet wat.
Ik wilde ik kon u iets geven
Ik wilde ik kon u iets geven
tot troost diep in uw leven,
maar ik heb woorden alleen,
namen, en dingen geen.