Ik kom van ver,
van waar jij mooi was tussen je haren
als een eiland tussen het riet.
En je mond viel traag, traag
Een gedroomd leven, een verbeelde geliefde en de scheppende kracht van poëzie.
Ballerina
Gebaar voor gebaar reikt
ze haar lichaam over aan haar dromen
en telkens wordt ze meer
dan ze al was en telkens reikt ze weer.
Lobelia I
Op mijn tafel
is de hemel:
sterren - wit in
lila-blaauw
[O koele zwarte ademen van den nacht]
O koele zwarte ademen van den nacht,
stil vlietende kannen van wijnzwart gebracht
in haar rouwvingeren slepend zoo zacht -
gaat lavende tot waar mijn liefste wacht.
Iris
Ik ben geboren uit zonnegloren
En een zucht van de ziedende zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van wanhoop en wee:
Sonnet XXXVI
Ik ben Slaaps slaaf: hij is mijn eenig heer.
Want al mijn werken in 't schel daglicht is
Om dat éen gaaf goudstuk vermoeienis,
Dat, als ik nederzit aan avondveer,
Berceuse Nr. 2
Slaap als een reus
slaap als een roos
slaap als een reus van een roos
reuzeke
Voorjaarsavond
De avond is windeloos over
de wazige aarde, en 't loover
der duistere boomen is stil...
O groen-vervagende wanden
Schatting
Nu in de lanen gaat de Schemer om,
stil manend, heffend cijns van alle uren
zijn heer, den Nacht. En vorstlijk is zijn dwang
en koel zijn blik. Er vlammen, rood, in 't hout
[Ik denk altoos aan u, als aan die droomen]
Ik denk altoos aan u, als aan die droomen,
Waarin, een ganschen, langen zaalgen nacht,
Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht,
Zóó onuitspreek'lijk lief, dat bij het doomen
Verhevene
Eeuwen wentelden hun volheid samen:
zijn fundament;
nauw kon hun denkgedrocht omvamen
zijn schedeltent.
[Wij zilvren wezens, nevellichten, gewassen]
Wij zilvren wezens, nevellichten, gewassen
neven elkaar, onzeker, wilden het licht:
In misten van donker, onze groote vragen
vreemdelinge in scheemre mist om licht -
[Ik droomde van een kálmen, bláuwen nacht]
Ik droomde van een kálmen, bláuwen nacht:
De matte maan lag laag in mistig glimmen -
Maar hóóg scheen van de schemerende kimmen
Der klare starren wolkenlooze wacht.
Heerscher
Hij schreed
en ruimte was hem soepel kleed
aan 't koele lijf.
de gladde luchten spatten uit elkander
Een verbena
Een bloem bloeit aan de wegen,
bleek in een zon van jaren her,
bleekrood; háár laaft de regen
die viel in een zomer, al ver.
Sonnet voor Cynara IX
Hierop ben ik dan voortaan aangewezen:
dit klein bestek van bed en kabinet,
het duister waarin niemand op mij let
en ik alleen ben met mijn vreugde en vreezen.
['t Is Juni, en de vijver in 't plantsoen]
't Is Juni, en de vijver in 't plantsoen
Ademt over het gras zijn blauwe droomen.
De jonge twijgen huivren in de boomen,
Water en hemel zijn van weerschijn groen.
Virgo
Morgenmeren.
uw omgrenzing ordent.
bergen klimmen in het tinnen licht
en uw stille, virginale lippen
Melopee
ONDER de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee
Langs het hoogriet
Je bent
Je bent gewoon je bent
gewoon een mens dat is
een warm en onontwarbaar wezen
en toch kun je gebeuren als een wonder
Heks Heks
Tover jij?
je leeft zo eenvoudig
als duizend anderen
binnen een tent van frans katoen
Droomlot
Je toonde me vannacht de kamers weer;
geheel dezelfde. ‘t Werd de eerste keer
dat ik ze zag van duizend malen meer.
Jij was toen nog mevrouw en ik meneer.
Liberty
Soms, in een etalage, komt gij voor,
tussen geslachtsgenoten opgesteld,
bekleed met nieuwe kleren en vermeldt
het kaartje op uw borst de prijs waarvoor.
Zestien
Laat mij aan u ontstaan,
wezen van zestien jaar.
Ik heb nog niet geleefd
dan enkel maar om dood te gaan,