Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
Sonnet voor Cynara I
Dat ik van binnen brand, ik ben de eerste niet;
dat mij dit vuur verslindt, de laatste zal 'k niet zijn;
dat mij de slaap niet vindt voordat door het gordijn
de grauwe ochtend sluipt - 't is duizendmaal geschied.
Sonnet voor Cynara II
Gekomen en gegaan en als de liefste keeren,
wie haar ontloopen wil doet zulks tot eigen schâ
en jaar en dag ontliep ik haar uit en ter na;
God weet waarom ik haar en mij zoo moest bezeeren.
Sonnet voor Cynara III
Steden der wereld, menigten, al wat ik zag:
lentlijk Parijs, een avond langs de Seine-boorden
of het droefgeestig roepen dat ik dikwijls hoorde
langs d'Amsterdamsche grachten op een regendag -
Sonnet voor Cynara IV
De Dood als een'ge minnaar, dien 'k haar had gegund,
heeft haar een zomerlang belegerd met zijn streken;
hij is op 't allerlaatst met tegenzin geweken,
omdat hij wist op wie hij 't ditmaal had gemunt.
Sonnet voor Cynara V
Minnaars van dezen nacht, gedenk in dezen nacht
wie slaaploos ligt alleen en ziet de sterren dooven,
waarmee de winterhemel sneeuwwit lag bestoven -
gedenk wie uur na uur de liefste heeft verwacht.
Sonnet voor Cynara VI
Hart heb geduld, het zal straks anders keeren.
Nog altijd rest ons adem voor het lied
dat, onbekommerd zingend, balsem biedt
en teerspijs is voor wie veel moest ontberen.
Sonnet voor Cynara VII
Zoo straks de dood door deze deur mocht treden,
neerdalen langs de trap of kloppen aan het raam,
mij wenken zou en daarna noemen zou mijn naam
en zei: Volg mij, uw leven is verleden -
Sonnet voor Cynara VIII
Dit is mijn onrust en dit van mijn dagen
de foltering en het invretend zuur;
dit is de harde kwaal die op den duur
mij sloopt omdat het hart 't niet kan verdragen.
Sonnet voor Cynara IX
Hierop ben ik dan voortaan aangewezen:
dit klein bestek van bed en kabinet,
het duister waarin niemand op mij let
en ik alleen ben met mijn vreugde en vreezen.
Sonnet voor Cynara X
Ga niet van hier, want veilig zijt gij nergens.
Ik achterhaal u waar gij u bevindt;
de vogels mijner woorden, die de wind
mee hebben, treffen u altijd wel ergens.