Heb mij nodig. Kun mij niet missen
Heb verdriet. Ik heb daar van alles tegen,
Levensbeschouwing, aforismen, groter verdriet:
Het is familie. Van geluk weet ik dat niet.
Ouders en kinderen, zwangerschap en de keuze om wel of geen kinderen te krijgen.
‘Slaap maar,’ zeg ik
'Slaap maar,' zeg ik
tegen een dochter die allang slaapt
en daar wakker van wordt.
Het onweert. Misschien wil ik wel
Vingerafdrukken op het venster
Ik denk dat poëzie iets is als vingerafdrukken
op het venster, waarachter een kind dat niet kan slapen
te wachten staat op de dag. Uit aarde komt nevel,
uit verdriet een soort ach. Wolken
Parabel van de verloren vader
Zoon wil wereld veranderen.
Vader eigenlijk liever zoon.
Maar hij kan alleen een zin veranderen
tot die niet meer anders wil.
An (2)
Verliezen lukte beter: daar heb ik ternauwernood
één dichtbundel over gedaan. Ik won
de Prijs van de Vlaamse Provinciën met jouw dood.
Ik herinner me vooral dat ik mijn bril niet vinden kon.
Mamaatje
‘Mamaatje, mamaatje,’ huilt oude vrouw.
Nog oudere vrouw ligt op het asfalt
in de vorm van twee schoenen, wat verder
bril, nog verder gebit, en daarachteraan,
Het liefste wat ik heb is elf geworden
Het liefste wat ik heb is elf geworden.
Feestje. Daarna ging het liefste wat ik heb
naar huis met het liefste wat ik had.
Het kleine meisje met het grote.
Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was
Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was:
wat ouders deden, en wat alles dus ging doen:
een tafel bij een stoel, nu bij toen.
Het meervoud van geluk was: wij.
Ze heeft alles om te zoenen
Ze heeft alles om te zoenen, twee armen voor rond mijn hals
en aan het uiteinde daarvan zichzelf om te draaien en te keren.
Ze heeft twintig vragen en slechts twee ogen.
Die doen wat een vraagteken doet met een zin,
‘Ik hou van jou,’ zei ze
‘Ik hou van jou,’ zei je tussen twee monden vol wafel. Maar niet grappig; ook helemaal niet raar.
Een bal die je met alle ervaring van je drie jaar
vriendelijk naar mij toe rolde over tafel.
Ik bloosde haast als de eerste keer.
Glasscherven in de zon
Ik heb maar twee soorten foto’s waarop je lacht:
met je kinderen, tot een jaar of acht,
en met je kleinkinderen. (De oudste is dertien,
en nog niet te brutaal, mogen blijven.)
Ik zie wat ik heb. Ik heb dat ik zie. (2)
‘Wie zie je het liefst, de poes
of mij?’ vraagt ze.
En zoent me, niet om mij,
maar om haar lippen te proberen.
Ik zie wat ik heb. Ik heb dat ik zie. (1)
Ze kan monter aan komen waggelen als een Limburgse
boerin van vier jaar. Ze kan koket streng kijken
als mijn 75-jarige moeder van vier.
En als die moeder gestorven is, probeert ze
Met droefheid nemen wij kennis
Ze hadden een deken over hem gelegd,
ook over het hoofdje. Ik deed de deken
weg. Daar had hij altijd al
een hekel aan.
Poëzie
Wakker door kinderen, meedogenloos blij
op mijn buik. Wijn die allemaal van mij?
Weer zo’n dag waar niets anders mee te doen
valt dan hem te beginnen,
Poëzie
Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
Ons
‘Ik kom nog even bij jou liggen.’
‘Bij ons,’ zeg je.
Want sinds je zwangerschap ben je ook op je eentje
al een beetje onder elkaar.
Huurcontract
Misschien rust op dit huwelijk geen levenslange zegen,
maar wel het soort zekerheid
van een te hernieuwen huurcontract
drie-zes-negen.
Home sweet home
Nachtje liefdeloos weggeweest
zuinigjes vrijend, sperma
in zakdoeken.
Nachtjes eindeloos droehoef geweest,
Verjaardagsvers
Je zei nooit wat. Ik moest het altijd vragen.
Of je van mij hield. En je zoende.
Of het veilig was die eerste keer.
En je zoende weer.
Hotel Eden
En ‘s nachts gingen we naakt zwemmen, we zwommen
onze namen op het water, ik zwom An in twee
grote letters, jij zwom uitgebreid aan de naam
Herman, en met de gouden maan eroverheen
De Schreeuw
Bejaardentehuizen zijn een soort wachtzalen,
denkt hij, met een goddevader die om de haverklap
‘de volgende’ roept.
Hij is weer eens langs geweest, heeft haar
Terug
Scheef is de poorte, van
oudheid, geweken;
zaâlrugde 't dak van
de schure; overal
Voor vader
o vader wij zijn samen geweest
in de langzame trein zonder bloemen
die de nacht als een handschoen aan-
en uittrekt wij zijn samen geweest
[Dien morgen was zij moe en zwaar]
DIEN morgen was zij moe en zwaar
en talmende opgestaan
en had met achteloos besef
haar dagelijksch doen gedaan.
Mop en Mopje
Toen onze mop een mopje was
Was 't aardig om te zien;
Nu bromt hij alle dagen
En bijt nog buitendien.
Voor-zang
Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren.
- Ik was een kind, en mat het leven aan den lach
[Gij, die ik zoet te slapen leide]
Gij, die ik zoet te slapen leide,
uw adem zoelend aan mijn mond,
- Kind van mijn liefde en van mijn lijden, -
en die 'k, toen 'k plots ontwaakte, wijde
De wolken
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.
[Gij wast aan mij gelijk de winde]
Gij wast aan mij gelijk de winde
die wentelt om een koren-aar;
dra zal ik aan mijn wang bevinden
de zoete streeling van uw haar.
De moeder de vrouw
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
Aan mijn kind I, II, III
Wanneer je begeeren zult
De pijn van het bloed,
Wanneer je leeren zult
Wat het leven doet -
Mijn moeder
Mijn moeder was een heilige vrouw -
O daar ligt blijdschap in dien rouw -
Mijn moeder was heilig, en rein, en zoet
Als de melk van haar borst... O mijn moeder was goed!
Moederken
't En is van u
hiernederwaard,
geschilderd of
geschreven,
Het geschenk
Hij trok het schuifken open,
Het knaapje stond aan zijn zij
En zag het uurwerk liggen:
‘Och, grootvader, geef het mij?’
Het geredde kind
‘Gij kunt niet raden met wat liefde wonderbaar
De groote diepe zee ik minnen moet,
Sinds, vader, gij met eigen lijfsgevaar
Mij opbracht uit haar vloed.
[Laat de luiken geloken zijn]
Laat de luiken geloken zijn
wiege wiegele weine
en de stilte onverbroken zijn
wiege wiegele wee.
III. Een kinderhand.
En door een handje, mollig als fluweel,
liet ik mij leiden langs de kronkelpaden.
Bestrooid met ritslend najaarsloover, geel
en purper, was de weg die wij betraden.
IV. Daisy.
In 't groen priëel, waar roze- en wingerdtak mij
verkoelend welkom wuifden, zaten beiden,
het Grootje en 't kleinkind. - ‘Zie mijn engel! sprak zij,
'k Wil nog niet sterven, 'k wil van haar niet scheiden.
[Blond kindje speelt piano. Plechtig staan]
Blond kindje speelt piano. Plechtig staan,
Als was 't een kerk, twee kaarsen. 'T is, als ragt
'T verleden blauw nevelend op, en tracht
Naar lichte kring van 't Nu terug te gaan.
Moeder.
Moeder naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Koorts-deun
't Is triestig dat het regent in den herfst,
dat het moe regent in den herfst, daar buiten.
- En wat de bloemen wégen in den herfst;
- en de óude regen lekend langs de ruiten....
Beter zo
Mooi woon je hier pap in dat bos
Toe laat mijn hand eens los
Dat staat zo kinderachtig
Ik was de sterkste van de klas
Vogelvrij
Ze loopt gearmd met haar vriendin
Te zoeken in de vreemde stad
Het adres is haast onleesbaar
Op de brief die ze uiteindelijk heeft gehad
Jij
Omdat jij wist dat ik het was
En niet je laatste minnaar
De knapste van de klas
Omdat je blozend voor me stond
Pil
Zeer tegen mijn wil slik ik
Zondag, Maandag, enzovoorts
dat roze rondje dat
mijn innerlijk verstoort,