O! een gloeijend verlangen doortintelt mijn borst
Naar de aanschouwing van 't eeuwige schoon;
O! mij kwelt een onleschbare, een brandende dorst......
Wordt mij nimmer verkwikking geboôn?
Gebed, godsbeelden en het zoeken naar het onzichtbare.
[Dien morgen was zij moe en zwaar]
DIEN morgen was zij moe en zwaar
en talmende opgestaan
en had met achteloos besef
haar dagelijksch doen gedaan.
Calvinisme
Gij waart, o Huis,
een blok van angst doorruist van orgelklank;
het licht dat u doorscheen was hemelblank,
maar in uw hoeken hurkte steeds de vrees.
['k Hoore tuitend' hoornen en]
'k Hoore tuitend' hoornen en
de navond is nabij
voor mij:
kinderen, blij en blonde, komt,
[Keer in tot het verborgen zelf]
Keer in tot het verborgen zelf,
waar denken ophoudt en de ritselhagen
der uren gansch verstild zijn, wilde vlagen
tot rust gebracht; keer in nu, delf en delf
[’k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.]
'K ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een'ge, dat ik kan:
'K gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;
Maar 'k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.
Dood! dacht ik...
Dood! dacht ik, maar Gij zeidet: ,,Leven!”
Och, waarom moet ik leven, Heer!
„Wijl Ik uw laten bloei begeer,
Rozen, die op Mijn adem beven.
[Zegen deze' avond, God: ons handen rusten]
Zegen deze' avond, God: ons handen rusten;
en, kenden onze leden 't kleed der vreemdste lusten
en ons verlangen 't pad van de' ongewoonsten waan:
tháns zijn onze oogen moede als van wie sterven gaan...
De kern van alle dingen
De kern van alle dingen
is stil en eindeloos.
Alleen de dingen zingen.
Ons lied is kort en broos.
Nieuwjaars-lied
Uren, dagen, maanden, jaren
Vliegen als een schaduw heen;
Ach! wij vinden, waar wij staren,
Niets bestendigt hier beneên!
Een lyedeken [Ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaen]
Ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaen,
Ic en vanter niet dan dijstel ende doorn staen.
Den dystel en den doorn dye werp ic wt
Ic soude gheerne planten ander cruyt.
Het schrijverke
O krinklende winklende waterding,
met 't zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op 't waterke gaan!
O 't ruischen van het ranke riet
O! 't ruischen van het ranke riet!
o wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
Ego flos...
Ik ben een blomme
en bloeie vóór uw oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
De moerbeitoppen ruischten
‘De moerbeitoppen ruischten;’
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
II Sanctissima Virgo
't Was bladstil en een lauwe loomheid lag
En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;
Zwaar zeeg, en zonder licht, een vale dag
Uit wolken, die gezwollen onweer torsten.
Tot de zonne
Zonne, als 'k in mijn groene blaren
en vol waterpeerlen sta
en dat gij komt uitgevaren,
schouwt mijn bloeiend herte u na.
Geloof
Daar droomt iets in uw oogen,
Wen gij ten hemel ziet;
Daar zingt iets in uw zuchten,
Héél verre, van verdriet...
Laat mij nimmermeer...
Laat mij nimmermeer berusten,
God dien 'k niet met namen zeg:
Uw verlangens zeekre lusten
Neem niet van mijn lippen weg.
[Het leven is een' krijgsbanier]
Het leven is een' krijgsbanier,
door goede en kwade dagen,
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaards dragen.
VII. Geloof.
U heb ik lief, mysterievolle wouden,
veelstemmig koor van vogelen en winden!
'k Herinner mij, hoe, bij 't geruisch der linden,
in vrome aanbidding, zich mijn handen vouwden.
Lied voor mezelf
Mijn Heer, mijn schip is op de zee.
Ik vraag U niet: laat kalm zijn de baren nu.
Wie klaagt, draagt hij niet met zich mee
bestendig een poel die eens zich sluiten zal over zijn hoofd?
[Gij, Die mij de eerste waart in 't ver Verleên]
Gij, Die mij de eerste waart in 't ver Verleên,
Toen alles was één schoone somberheid,
Gij zult mij de allerlaatste zijn. Ik wijd
Dit stervend hart U, met mijn laatste beên.
Solus in aedibus amoris
Daar steekt de nacht op en de zwarte wind -
En open vind
Ik als mijn eigen
Uw woning wier beveiligd zwijgen
Kerstliedje
Zij waren den dag zich moe gegaan
met zwoegen en met gezucht,
in den laten avond kwamen zij aan
in Bethlehem het gehucht.
[Als ik de groene luiken open zet]
Als ik de groene luiken open zet,
Zie ik de bloemen om het raam heen trillen
Druipend van morgen-zonlicht, dat zijn killen
Vochtigen adem waait door mijn gebed.
Herfst
Achter d'oude kloosterwoning
Hing wat roode zon...
Onder goud-getinte linde
Bad een jonge non...
[Nu slaapt ze in Brahman, veilig voor altijd]
Nu slaapt ze in Brahman, veilig voor altijd;
En 'k weet dat, blij, haar mijn terugkomst vindt,
Als eens de dood, Bronwaarts stormende wind,
Mijn ziel, een droppel God, voor goed bevrijdt