Buite' in de heldre wereld vol bewegen
weefden de mannen hun glanzende taak,
zij vulden saam de uren tot de zege,
de oogen ware' op hen als op een baak.
Kwatrijnen II
Ik zocht een klankbord en ik vond er geen.
De harten die ik aanriep, bleven steen.
Ik zoek niet meer; het roepen heb ik opgegeven
en wat ik zing is voor mij zelf alleen.
[Keer in tot het verborgen zelf]
Keer in tot het verborgen zelf,
waar denken ophoudt en de ritselhagen
der uren gansch verstild zijn, wilde vlagen
tot rust gebracht; keer in nu, delf en delf
[Ook ik ben omstreeks ’t midden mijner dagen]
‘Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
verdwaald geraakt in levens donker woud,
maar mij heeft geen aardsche wijsheid ontvouwd
den weg uit smart en twijfel, noch gedragen
[Elkaar weervinden is droever dan scheiden]
‘Elkaar weervinden is droever dan scheiden
wanneer daar tusschen-in liggen de jaren
dat twee ziele', elk voor zich, hebben bevaren
de groote wateren van eenzaam lijden.
[Ik ook heb dit mijn vrouwehart]
‘Ik ook heb dit mijn vrouwehart, dit teere
breekbare ding, dat elke toon doet trillen,
gevoerd in 't strijdperk waar vijand'ge willen
in stalen pantser elkander braveeren.
[Heer, tusschen ons in leefden vele zonen]
Heer, tusschen ons in leefden vele zonen
van 't Oude Volk, zij zongen onvermoeid
hun levenslied ons voor vol warme tonen,
zij waren allengs met ons saamgegroeid
Voorbij
Het is voorbij. Bloesemdroomen verstoven;
korte papavervlam te niet gedaan,
niet één belofte in vervulling gegaan:
het ooft valt af, de aangevreten schoven
Opgang III
De zachte krachten zullen zeker winnen
in 't eind - dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zoo 't zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.
Over rustigende vastheid die ik vond
De menschen zijn in getwijfel gevangen,
't gezicht van een god heeft de tijd gebleekt,
nu kom ik ze vertroosten met gezangen
van wat nooit wisselt en in niets ontbreekt.
Over het ontwaken mijner ziel.
De volle dagen komen met bedaarde
stappen schrijdend, als hooge witte vrouwen
uit tooversprooken: bloem in handen houen
ze en licht is om hun hoofden, goud-behaarde.
Over de grenzen van mijn wezen.
Niet mijn de makkelijke en onbenepen
wellende sprakingen, niet de ongestoorde
gebaren die glijen gelinde door de
ruime atmosfeer: lustig zeilende schepen.
Over het draagvermogen mijner ziel.
Sterkheid van handen kan geen nevel scheuren
en mijne hield ik biddend opgeheven
maar nu heb ik dat alles opgegeven
en voel mij vrij en zal geen hoop verbeuren.
Over onderlinge vervreemding en verlatenheid.
Soms zitten menschen met een glad gezicht
bij tweeën of bij drieën: hun gedragen
is flauwtjes, en de harten die ze dragen
in 't bekennen van hun oogen, zijn dicht.
Over de vreugde van mijn eigenlijk wezen, om hare verwantschap aan gelijken en grooteren.
Liefste van dingen zijn de binnen-eigen
die zoolang 't bevriendelooze leden
dat zij de monden pijnlijk toededen
verrukt te voele' opleve' in nieuw niet zwijgen.
Over het verhevene van het onafgebroken liefdevolle.
't Hoogleven der momenten geeft het niet,
en niet heug'nis van wijdsche aardlichtingen,
maar de onverschillige verrichtingen
en liefheden van het vrouwe-gebied
Over het lijden dat ongewisheid is.
Schemering is het doodgaand en vertrekkend
begeven van dingen die zijn gegleden
mee met den dag, en steunde als vertrouwdheden,
en ware' als scheidingen, wegen behekkend.
Over de vreugd om het eerstgevondene gelijke.
Alle stemmen kwamen altijd van ver
en hadden als een groet in vreemde talen
't liefloos luiden en 't vragen veel herhalen
te groeien van voorbijgaand, blijvender.
Over de vreugd om de openbaring van het verborgene.
En toen begon een stem zacht uit te schijnen
dat was als oop' ning van verborgenheden
en als op waters bloemen glijden, gleden
de hartedingen mede zonder schrijnen
Over het zich verkondigen van de ziel in de oogen.
Samenkomen van oogen is gebroken
muziek, hun roeringen zijn wonderbare;
en verschuiving van wanden onzichtbare
die werend bouwden ziele' om zich. - 't Gesproken