Nog een geluk dat
Zoals met de gek uit het grapje
die zich voortdurend met een hamer
op het hoofd sloeg, en naar de reden gevraagd, zei:
Rouw, afwezigheid en het missen van iemand die niet bij je is.
Nog een geluk dat
Zoals met de gek uit het grapje
die zich voortdurend met een hamer
op het hoofd sloeg, en naar de reden gevraagd, zei:
Verliezen lukte beter: daar heb ik ternauwernood
één dichtbundel over gedaan. Ik won
de Prijs van de Vlaamse Provinciën met jouw dood.
Ik herinner me vooral dat ik mijn bril niet vinden kon.
‘Mamaatje, mamaatje,’ huilt oude vrouw.
Nog oudere vrouw ligt op het asfalt
in de vorm van twee schoenen, wat verder
bril, nog verder gebit, en daarachteraan,
Meisje op straat laat ballon los.
Geef ook mij maar van die wanhoop,
van die hemelhoge kleine. En wil jij
dan ook zo uit het gezicht verdwijnen?
Ik heb maar twee soorten foto’s waarop je lacht:
met je kinderen, tot een jaar of acht,
en met je kleinkinderen. (De oudste is dertien,
en nog niet te brutaal, mogen blijven.)
Ze hadden een deken over hem gelegd,
ook over het hoofdje. Ik deed de deken
weg. Daar had hij altijd al
een hekel aan.
Als jouw verdwijnen maar betekenen zou
dat ik nu verder met mezelf kon leven
– ik sluit de deur, waar waren we gebleven, ik gooi wat blokken in het vuur tegen de kou,
een boek van Chaucer ligt nog op de bladzij open
Nee, zo stoer hoeft niet, tenslotte
moet ik het nu weer allemaal zelf doen. Ik trek mij af.
Het lijkt wel een hele bewerking, een
aftrekking inderdaad, ik trek mij af
Nachtje liefdeloos weggeweest
zuinigjes vrijend, sperma
in zakdoeken.
Nachtjes eindeloos droehoef geweest,
Je zei nooit wat. Ik moest het altijd vragen.
Of je van mij hield. En je zoende.
Of het veilig was die eerste keer.
En je zoende weer.
Ik kom van ver,
van waar jij mooi was tussen je haren
als een eiland tussen het riet.
En je mond viel traag, traag
Nevel is ‘t niet meer voorbijgaan
van iets moois dat al volbracht is.
Nevel is gelukkig haast niet meer bestaan,
niet meer moeten
De stilte zwelt uit de ingeslapen nacht
en zuigt ons gans en onweerstaanbaar binnen.
Een hoornstoot gilde alsof een wilde jacht,
losbarstend als een onweer, zou beginnen -
Zij kwamen na jaren uit Brabant weerom
met vliegend vaandel en slaande trom,
en zagen de zon, bij het zinken,
op 't duin van hun vaderland blinken.
Scheef is de poorte, van
oudheid, geweken;
zaâlrugde 't dak van
de schure; overal
Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen,
Want waar mijn oogen langs de wanden dwalen
Schemert uw lach daarheen. Ontelbre malen
Hoor ik in 't klokgetik uw voeten treên.
We liepen samen dikwijls langs de stranden
Als 't avond werd. Dan zong ze naast de zee -
Ik, kleine jongen, die haar stem zoo kende,
Ik hield haar hand en zong de liedjes mee.
Ik was een stil en eenzaam kind,
Eenzaam als geen -
Gij zongt voorbij als een stem in den wind:
Nu ben ik alleen, alleen.
'k Hoore tuitend' hoornen en
de navond is nabij
voor mij:
kinderen, blij en blonde, komt,
De kluis, getuige van ons noode scheiden,
Leeft in mijn peinzende herinnering,
Zij werd mij paradijs, omdat ze ons beiden
In de' eersten stond van liefde, 't laatst, omving.
Bij de lamp blijf ik alleen.
Waar uw kus en lach verdween,
Sluit de stilte rond mij heen
Tot den effen glans waarin,
Ik ween om bloemen in den knop gebroken
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde, die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan,
Doodenhuis
hooge vensters droomen hun vergaan
luikenkruis
vleermuisschaduwen
Ik ben met u alleen, o Venus, felle star.
En, waar 'k vergeefs in mij uw stralend gloeien zoeke,
blijft leêg mijn marrend harte, en bar.
Mijn harde mond is strak aan beiden starren hoeke.
Nu gij ver wègzijt, komen al de nachten
Sluipen door schemerstraat, arm en gehavend,
En zij die vroeger zielsverblijden brachten,
Beedlen aan dichte deur in laten avond.
Zij kwam een poos en zag met open oog
De wereld aan.
Toen is zij heengegaan.
Wij wisten nooit wat haar het meest bewoog.
Uw oogen waren er niet,
Uw stem was zoo ver, zoo ver,
Het was een avond zonder lied,
Nacht zonder ster.
De kamers waren donkerder geworden,
Maar geen ding van zijn eigen plaats gezet,
En aan den wand, tusschen de blauwe borden,
Hing in ovalen lijstje het portret.
Ik ben Slaaps slaaf: hij is mijn eenig heer.
Want al mijn werken in 't schel daglicht is
Om dat éen gaaf goudstuk vermoeienis,
Dat, als ik nederzit aan avondveer,
Ween aan mijn borst den schat der tranen
die rijk me maken van uw leed,
ik die van wankelende wanen
als gij het talmend smeeken weet;
Ach hoe kan ik nu ook schrijven
zij is getrouwd met een ander
en heeft kinderen
zoals het moet
Gij zaagt hem met zijn vrienden zich vermaken,
hoe bruine Tadzio op ranke benen snel,
zich repte in 't opwindend tennisspel
opdat de racket toch terecht mocht raken.
De felle Doot, die nu geen wit magh zien,
Verschoont de grijze liên.
Zy zit om hoogh, en mickt met haren schicht
Op het onnozel wicht,
Mijn moeder was een heilige vrouw -
O daar ligt blijdschap in dien rouw -
Mijn moeder was heilig, en rein, en zoet
Als de melk van haar borst... O mijn moeder was goed!
Ik heb de liefde liefgehad;
daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zoo doet de mooie minnaar
met een zeer verliefde kind.
't Kruipend rupsje, moê gekropen,
Afgetobd in de enge cel,
Brak zijn kluisje fladdrend open,
Klapwiekte uit zijn dorre schel.
Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven.
Dat was gheselscap goet ende fijn,
'k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
‘Het daghet inden Oosten,
het lichtet overal;
hoe luttel weet mijn liefken,
och waer ick henen sal!
't En is van u
hiernederwaard,
geschilderd of
geschreven,
Het waren twee koninghs kindren,
sy hadden malkander soo lief;
sy konden by malkander niet komen,
het water was veel te diep.
Ge hebt het uitgezocht, maar niet aanschouwd
Meer bij ons thuis. Het is te laat gekomen.
Reeds had de stilte u in zich opgenomen,
En aan het tijdelooze u toevertrouwd.
Ik zie
je ponnie
een leugen fijn-wulpsch, maar zachter
en daarachter
Zwijgende menschen
Over de straat...;
't Is of ze peizen...
Wellicht komt er een lief gelaat
o Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart,
en míj liet leven, en me teeder léerde leven
met uw zacht spreken, en uw streelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;
‘O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleeke oogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.
Die nacht van zelfvernedering
van deemoed aan de doodensponde
in een gestage preveling:
‘vergeef mijn zonden.’
Een laan... In het lindeloover
daar sloop het Verleden, al grauw,
en weende als een vrouw. - Geloove er,
wie gelooven kan, al 't getoover
Zij hoorde 't twisten en den doffen smak -
Zij kwám niet - zág niet - zag in mijmering
Altijd die ééne plek, waar de appel hing,
En de' appel zelven aan dien zelfden tak.
De Dood als een'ge minnaar, dien 'k haar had gegund,
heeft haar een zomerlang belegerd met zijn streken;
hij is op 't allerlaatst met tegenzin geweken,
omdat hij wist op wie hij 't ditmaal had gemunt.
Laat ik nu leggen lichte dingen
op haren lijf en gauw verganke-
lijke, laat het zijn rozeranken
en bloemen andere en trosseringen
Een morgenstraal verguldt mijn vensterruit,
omlijst door geiteblad en rozeranken.
De acacia, wiens geurge trossen blanken,
strekt bloeiende armen naar den hemel uit.
Nu zàl er stilte zijn, mijn leven lang;
De tijd zal, voorzichtig, zijn vlucht vertragen,
Dat niet zijn ijlste suizen mocht verjagen,
Wat dwaas ik koos boven haar sprookjeszang:
Wij komen nooit meer saam:
De wereld drong zich tusschenbeide.
Soms staan wij beiden 's nachts aan 't raam,
Maar andre sterren zien we in andre tijden.
Indien gij weet wat leven is en lijden,
en welk een zee van weedom in een traan ligt,
laat mij dien hollen weg in 't woud vermijden,
verg niet, dat ik mijn schreden naar die laan richt!
Ik durf met mijn denken
Uw smart niet genaken,
Niet aan te raken
Uw droefenis;
Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.
Hier ben ik weêr.
De najaarszon die wolkgedoofd
Het bronzen loof in 't hooge hout
Boven ons hoofd
Thans is het uur dat schaaûwen neigen,
en de avond, als een teeder lied,
om huize' en zielen zacht komt zijgen,
en moede durend, stil vervliet
Om mijn oud woonhuis peppels staan
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.
'K zie nu al hoe 'k, als jij gestorven bent,
Zal zitten, kijkend naar je stil gezicht;
Wel vol verleden, toch pijnlijk verlicht,
Dat jij ten minste geen verdriet meer kent.
Ik ben alleen in het lamplicht,
de dingen kijken met een glad gezicht,
om me in 't licht.
De dingen staan om me zoo stil
Nietmeer hoop ik uit dit schemerduister licht:
Al de heemlen sloten achter uw vervluchten luister dicht.
Wat bedoelen al der aarde, al der sterren prachten nu?
Geen der groene dagen, geen der zilvren nachten wachten u.
ik denk
als het regent
laat ze niet nat worden
en als het stormt
Zo’n tien jaar terug voor haar gevallen;
het duurde maar een maand of drie.
Toen kwamen drank en jaloezie
en achterklap de boel vergallen.
Ik heb een vrouw bemind, die best
een tweede Troje zou verdienen,
en die door drank en heroïne
onder mijn ogen werd verpest.
Sinds de nacht die ons
weer bijeen moest brengen
en die ons verder dan ooit
van elkaar heeft vervreemd
heel in de verte hoor ik
het toeteren van auto’s en
ik denk aan jou tussen
de huizen en pratend of