Ik was een stil en eenzaam kind,
Eenzaam als geen -
Gij zongt voorbij als een stem in den wind:
Nu ben ik alleen, alleen.
Kussen
Roode lippen, blanke leden
Wijken uit hun eng omhelzen
Naar de koele heldre grenzen
Waar zich oog en oog ontmoeten
Bij de lamp
Bij de lamp blijf ik alleen.
Waar uw kus en lach verdween,
Sluit de stilte rond mij heen
Tot den effen glans waarin,
Goede dood
Goede Dood wiens zuiver pijpen
Door 't verstilde leven boort,
Die tot glimlach van begrijpen
Alle jong en schoon bekoort,
Nu gij ver wegzijt
Nu gij ver wègzijt, komen al de nachten
Sluipen door schemerstraat, arm en gehavend,
En zij die vroeger zielsverblijden brachten,
Beedlen aan dichte deur in laten avond.
Eenzame nacht
Uw oogen waren er niet,
Uw stem was zoo ver, zoo ver,
Het was een avond zonder lied,
Nacht zonder ster.
Sonnet XXXVI
Ik ben Slaaps slaaf: hij is mijn eenig heer.
Want al mijn werken in 't schel daglicht is
Om dat éen gaaf goudstuk vermoeienis,
Dat, als ik nederzit aan avondveer,
[Een vijand blijkt op wien gij meest vertrouwt]
Een vijand blijkt op wien gij meest vertrouwt,
Als van nabij uw oordeel hem beschouwt.
Beter voorshands niet veel met vrienden wezen:
Alleen van ver zijn menschenwoorden goud.
Het geredde kind
‘Gij kunt niet raden met wat liefde wonderbaar
De groote diepe zee ik minnen moet,
Sinds, vader, gij met eigen lijfsgevaar
Mij opbracht uit haar vloed.
In den nacht
Voor nachts sterreheldere geboden
Buigt der dagen wil -
Zuchten zouden dringen tot de goden:
Al is stil.
Laat mij nimmermeer...
Laat mij nimmermeer berusten,
God dien 'k niet met namen zeg:
Uw verlangens zeekre lusten
Neem niet van mijn lippen weg.
Storm
Wolk-overweende maan
Lacht open af en aan,
Bevloeit met zilverkanten vorm
Het sombre park waar om
Najaar
Weekblauwe lichtgefloersde dag
Schijnt door het kleurig herfstloof in.
Groote matgouden zonnespin
Weeft vochten hof in glinstrend rag.
Liedje
Van onder hooge boomen
Schijnt de avondzon,
Toch zal mijn lief niet komen
Over gouden gazon.
Afscheid
Hier ben ik weêr.
De najaarszon die wolkgedoofd
Het bronzen loof in 't hooge hout
Boven ons hoofd
Solus in aedibus amoris
Daar steekt de nacht op en de zwarte wind -
En open vind
Ik als mijn eigen
Uw woning wier beveiligd zwijgen
Wanhoop
Nietmeer hoop ik uit dit schemerduister licht:
Al de heemlen sloten achter uw vervluchten luister dicht.
Wat bedoelen al der aarde, al der sterren prachten nu?
Geen der groene dagen, geen der zilvren nachten wachten u.
October
Getij van Westerstorm en stille wolkedagen,
Van zondoorvloeiden nevel, mistvergulden dauw, -
Alleen de blijdschap van een god kan lachend dragen
De zijden weelden van uw weemoeds kleurgen rouw.