Ik herinner me vooral mij. Hoe ik ineens één
vrouw had, in plaats van nu eens deze dan die.
En hoe we nu moesten, in plaats van ooit eens zouden,
van elkaar houden.
Afwijzing, ontrouw, eenzaamheid en afstand binnen of na een relatie.
Het liefste wat ik heb is elf geworden
Het liefste wat ik heb is elf geworden.
Feestje. Daarna ging het liefste wat ik heb
naar huis met het liefste wat ik had.
Het kleine meisje met het grote.
Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was
Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was:
wat ouders deden, en wat alles dus ging doen:
een tafel bij een stoel, nu bij toen.
Het meervoud van geluk was: wij.
‘Ik hou van jou,’ zei ze
‘Ik hou van jou,’ zei je tussen twee monden vol wafel. Maar niet grappig; ook helemaal niet raar.
Een bal die je met alle ervaring van je drie jaar
vriendelijk naar mij toe rolde over tafel.
Ik bloosde haast als de eerste keer.
Ter ere van de goedertieren maan (3)
Omdat ik vrouw ben en behoorlijk heb te lijden
van al de grillen en behoeften van mijn soort,
laat jouw nabijheid iemand in mij aan het woord
die zegt (wat ze niet meent) hoe goed ze met je vrijde.
Ter ere van de goedertieren maan (2)
Nee, liefde is niet blind. Ik zie ook met één oog
je lelijkheid en andermans verfijnde charme.
Ik ken zelfs alle sproeten op je armen
en hoe je ogen veel te ver uiteenstaan, en je wenkbrauwen te hoog
Ter ere van de goedertieren maan (1)
Je weet dat jou vergeten mij niet zwaar
zal vallen. Maak het beste dus van deze dag,
deze ene maand, dit ene halve jaar,
voordat ik sterf of wegga of je niet meer mag.
Wat een gebrek aan pathetiek
Wat een gebrek aan pathetiek,
zoals hij zegt: ‘Hallo.
Dus je houdt niet meer van mij.’
En zij, een laatste sandwichhap weg-
Zoals je binnenkwam en dag zei
Zoals je binnenkwam en dag zei,
en uit je kleren en je woorden stapte
(het voorlaatste wat je voor me uit-
deed was het woord ‘lieveling’
Nimmermeer
Ik wind de wollen sjaal zoo warm
Haar om de schouders, buig mij neder
En kus haar; leunend aan mijn arm
Loopt zij de herfstlaan heen en weder.
Vier uur!
Reeds werpt de zon haar goudgloor dwars door 't loover
Der linden, bloeiend op het breede schoolplein.
Nu trilt de lucht van schelle kinderkreten
En vroolijk stormt de bende boerenknapen,
Kwatrijnen II
Ik zocht een klankbord en ik vond er geen.
De harten die ik aanriep, bleven steen.
Ik zoek niet meer; het roepen heb ik opgegeven
en wat ik zing is voor mij zelf alleen.
XVIII. Scheiding
De voerman zwaait de zweep, ik hoor ze knallen;
De wagen ratelt langs de helling heen;
De rem knarst tegen 't wiel, de schellen schallen;
De hut, die haar bevat, rijst en wordt kleen:
XXXVII. [Geen enkel, die mijn Zelf ooit had]
Geen enkel, die mijn Zelf ooit had, -
Geen ander, wien ik 't af kon prachen,
Daar die geen Zelf, zóó schoon bezat:
Zij waren allen mak en mat -
P.P.C.
Vaarwel, Clary. Ik wens u geen geluk.
Zoiets klinkt dom, bij hen reeds die het menen.
Gij hebt u goed verkocht. Maak u niet druk
over de rest: want àlle mensen wenen.
[Vreemd, dat een zelfde huis bevat ons beiden]
VREEMD, dat een zelfde huis bevat ons beiden
en toch, wij durven ons niet af te scheiden,
wij durven niet alleen zijn, niet te spreken
dan lippen bevend, die niet open breken,
De gekrenkte jongen
Meen niet, dat hij te schreien stond,
Toen hem het giftige antwoord stak.
Hij voelde, dat iets in hem brak,
Maar hield de glimlach om zijn mond.
Je hebt me alleen gelaten
je hebt me alleen gelaten
maar ik heb het je allang vergeven
want ik weet dat je nog ergens bent
vannacht nog, toen ik door de stad
Rozen, ik vind u droef
Rozen, ik vind u droef,
Rozen, mijn tranen breken
Uit oogen, die anders stroef
En onverbreeklijk keken.
[Elkaar weervinden is droever dan scheiden]
‘Elkaar weervinden is droever dan scheiden
wanneer daar tusschen-in liggen de jaren
dat twee ziele', elk voor zich, hebben bevaren
de groote wateren van eenzaam lijden.
[Een vijand blijkt op wien gij meest vertrouwt]
Een vijand blijkt op wien gij meest vertrouwt,
Als van nabij uw oordeel hem beschouwt.
Beter voorshands niet veel met vrienden wezen:
Alleen van ver zijn menschenwoorden goud.
En zooveel schande werd in liefdes naam
EN zooveel schande werd in liefdes naam
Met rein gelaat, gemeen gemoed bedreven,
Dat ik mij vaak genoeg voor liefde schaam
En walging mij belet om voort te leven.
[Ik ben u moe]
Ik ben u moe. Gij hebt mijn traagste hoop vermoeid.
Waarom in mijden mond het bittre woord verhelen?
Te laat is me uwe liefde en te aarzelend ontbloeid
'dat nog begeerte ontblake en schrave door mijn kele.
[Ik droom uw droom]
Ik droom uw droom; gij droomt mijn droom. Wij beiden
we zijn alleen door ruimte, alleen door tijd,
we zijn alleen door wrok of vrees gescheiden.
Maar 'k weet dat gij moet lijden, daar ik lijd.
Liefde
Liefde is niets dan daaglijks verder gaan
Door dorre woestenijen,
Om na den nacht saam moe weer op te staan
Uit duistere valleien.
['k Ben eenzaam-droef, in 't geel-teêr avond-dalen]
'k Ben eenzaam-droef, in 't geel-teêr avond-dalen....
Door 't open venster hoor 'k den donzen val
van klamme bloemen in krystallen schale....
- En 'k weet niet of ik haar beminnen zal,
Immortelle IX
Op 't hoekje van de Hooigracht
En van den Nieuwen Rijn,
Daar zwoer hij dat hij zijn leven lang
Mijn boezemvriend zou zijn.
Wederzien
Nu je, onverwacht, gekomen bent,
voel ik me weer een zwak man
en hoe ik m'ook overtuigen wil dat je liegt,
ik kan
[Hoe zal mijn woord uw stil bewegen streelen]
Hoe zal mijn woord uw stil bewegen streelen,
mijn torve mond uw zacht-streelende daên?...
- Op de effen lente-Leie zie 'k, blad-weemlend, gaan
't verduisterd even-beeld van roerelooze abeelen
Over onderlinge vervreemding en verlatenheid.
Soms zitten menschen met een glad gezicht
bij tweeën of bij drieën: hun gedragen
is flauwtjes, en de harten die ze dragen
in 't bekennen van hun oogen, zijn dicht.
Armoe
'k Heb zoo'n honger naar een lied
In dit huis van eenzaam wezen,
Waar 'k nog in geen blik mocht lezen,
Dat een mensch me geren ziet.
Sonnet voor Cynara V
Minnaars van dezen nacht, gedenk in dezen nacht
wie slaaploos ligt alleen en ziet de sterren dooven,
waarmee de winterhemel sneeuwwit lag bestoven -
gedenk wie uur na uur de liefste heeft verwacht.
[Een stille dag is om mij heen]
Een stille dag is om mij heen
en in mij is het leven flauw,
ik voel de angst des wezens nauw
en ben in mijne vrede alleen.
[Herinneringen zingen, kind, uw wit gelaat]
Herinneringen zingen, kind, uw wit gelaat,
en 't zoet verhaal van úwe dage' en míjne dagen
die vredig in ons leve' als stille tuinen lagen
in 't teêre licht van late schemering gebaad,
Sonnet voor Cynara VIII
Dit is mijn onrust en dit van mijn dagen
de foltering en het invretend zuur;
dit is de harde kwaal die op den duur
mij sloopt omdat het hart 't niet kan verdragen.
Immortelle LXXXIII
Hem die mij grof beleedigt,
Mij overlaadt met schand
En openlijk mij belastert,
Hem reik ik de broederhand.
Ze mag hem hebben
‘t Is over, hij zegt me niets meer, ik ben vrij
‘t is over, het doet me niks meer, en ik ben blij
Hij is voor mij zomaar een heer
En al die toestanden, dat hoeft niet meer
Wandeling
Ter hoogte van het Koningsplein
was onze liefde engelrein.
Maar bij de Munt werd het al minder.
Mon Dieu, als ik het niet verhinder…
Raad
Neem nooit een dichter, m’n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
No second Troy
Ik heb een vrouw bemind, die best
een tweede Troje zou verdienen,
en die door drank en heroïne
onder mijn ogen werd verpest.
Sinds de nacht die ons …
Sinds de nacht die ons
weer bijeen moest brengen
en die ons verder dan ooit
van elkaar heeft vervreemd
Marie-jeanne
weer in 2A te zitten was wel fijn
als ik rechts achterom keek naar dat liefje.
maar zij keek steeds terug zo van wat blief je,
of helemaal niet, wel een harde lijn.
Eenzaamheid
We ruilden plechtig de ringen;
ik hoorde mij trouw beloven.
Gij waart mij reeds vreemdelinge,
toen we langzaam de kerk uitschoven.
Hij is zo dik en zij zo klein
Hij is zo dik en zij zo klein
hoe zou ze hem omhelzen.
Hij is zo moe en zij zo klein
hoe zou ze hem begrijpen.
De Afwijzing
Ik schrijf u met de ravenveer,
Mijnheer.
Mijn eer uw eer
uw hart mijn hart
Ze hebben nooit op haar geleken
Ze hebben nooit op haar geleken,
daar heeft het altijd aan geschort.
Ze hebben nooit op haar geleken,
dus kwam hij steeds aan hen te kort.