Ik heb de liefde liefgehad;
daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zoo doet de mooie minnaar
met een zeer verliefde kind.
Avondliedekens III
't Is goed in 't eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan;
Allerzielen
Zwijgende menschen
Over de straat...;
't Is of ze peizen...
Wellicht komt er een lief gelaat
Uchtend-liefde
Zilver zijn de wegen,
Zilver zijn de weiden,
Zilver van den peerlen-dauw,
Dien defeëen schreiden.
Geloof
Daar droomt iets in uw oogen,
Wen gij ten hemel ziet;
Daar zingt iets in uw zuchten,
Héél verre, van verdriet...
Avond-klacht
O! Wat er in den avond ligt:
Herdenken aan uw bleek gezicht
En d'oude zangen.
Dat maakt m'n lippen sprakeloos
Armoe
'k Heb zoo'n honger naar een lied
In dit huis van eenzaam wezen,
Waar 'k nog in geen blik mocht lezen,
Dat een mensch me geren ziet.
Eenvoud
Ik voel m'n ziel verwant met kleine simple dingen,
Die op ons wegen staan als bloemen van het veld...,
Verdoken in het gras, door weinigen geteld...,
Al dragen z'in hun kelk de zoetste zegeningen.
Regendag
Grijs gewelf met grauwe vegen,
Koepel van ons huis,
Waarom stort ge uwe tranen tegen
't Venster van m'n kluis?
Avondwind
Ik lieve, wat des avonds in
De winden hangt te neuren...;
Die melodijkens zonder zin,
Die lachen noch en treuren.
M'n Poëzie
O! Snaren van m'n jonge ziel,
Ik voelde uwe trillen zacht...,
Wijl 't woordjen op u nederviel,
Dat door m'n tranen lacht.
Herfst
Achter d'oude kloosterwoning
Hing wat roode zon...
Onder goud-getinte linde
Bad een jonge non...