Je truitjes en je witte en rode
sjaals en je kousen en je slipjes
(met liefde gemaakt, zei de reclame)
en je brassières (er steekt poëzie in
Lichamelijke nabijheid, aantrekking en het verlangen naar de ander.
Een dag om je prettig te voelen, om
Een dag om je prettig te voelen, om
de 1000 meter te lopen, Hemingway
te lezen en van je te houden
De zon is een gulle welgedane man,
Met handen kun je alles: een sigaret
Met handen kun je alles: een sigaret
opsteken, haren strelen,
een borst aanraken, een borst niet aanraken -
dit allemaal opschrijven.
Sneeuwstorm
In mijn streek zegt men 'ver' in de zin van
'bijna'. Het is al 'ver' winter.
En zo ver is het inderdaad. Sneeuw is eeuwig leven
op een wit blad zonder letters geschreven,
Zomeravond
Zomeravond. We hebben woorden en tijd.
Behaaglijk is het om van mening en geslacht
te verschillen, waarna alleen nog van geslacht,
een verschil van dag en nacht, waarna nacht.
Braille
Zoals ik zonder kijken tussen mijn boeken
‘Het houdt op met zachtjes regenen’ weet staan,
zo hoef ik jou niet meer te zoeken,
alleen te vinden.
Ons
‘Ik kom nog even bij jou liggen.’
‘Bij ons,’ zeg je.
Want sinds je zwangerschap ben je ook op je eentje
al een beetje onder elkaar.
Ter ere van de goedertieren maan (3)
Omdat ik vrouw ben en behoorlijk heb te lijden
van al de grillen en behoeften van mijn soort,
laat jouw nabijheid iemand in mij aan het woord
die zegt (wat ze niet meent) hoe goed ze met je vrijde.
Hotel Eden
En ‘s nachts gingen we naakt zwemmen, we zwommen
onze namen op het water, ik zwom An in twee
grote letters, jij zwom uitgebreid aan de naam
Herman, en met de gouden maan eroverheen
We reden hele dagen op Honda’s
We reden hele dagen op Honda’s, we kwamen snel
aanwaaien als geluk, en je hoefde maar
achterop te springen en geschaakt te willen worden.
En jij wilde altijd wel, o
Wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik
Wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik.
Een halsuitsnijding, zei je.
Trek ze eens aan, vroeg ik.
En je trok alles uit: dat is ze
Hoe hield ik platonisch van je gedachten
Hoe hield ik platonisch van je gedachten
en onnoemelijk veel van de rest.
Je borsten waren zachte
kolfjes naar mijn hand,
Het was een prachtidee van haar ouders
Het was een prachtidee van haar ouders,
Melinda te verwekken. Aanvankelijk wou
ze dan ook zichzelf gaan studeren.
Psychologie noemt men die wetenschap,
Middenin de vlakte van juli
Middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen. Ik woon hier, zei je.
Ik keek naar de bloemen. Ja, dat zie ik,
zei ik, en waar leerde je de kunst
En zij omhelsde hem
En zij omhelsde hem met al haar
zonden en monden. En zij omhelsde hem
met al haar nachten. Met al haar
opnieuws. Met heel haar altijd.
Zoals je binnenkwam en dag zei
Zoals je binnenkwam en dag zei,
en uit je kleren en je woorden stapte
(het voorlaatste wat je voor me uit-
deed was het woord ‘lieveling’
Page
Zooals langs 't schimmig gobelijn
Waar vogelvluchten staan geweven
Die ridders, in het staal verheven,
Omfladdren met hun bonten schijn,
[Mooi meisje, dat met koelwit bruidsgewaad]
Mooi meisje, dat met koelwit bruidsgewaad
Verlangt te ontveinzen de heetdonkre gloed,
Die onbewust haar slankheid stralen doet
En uit de glans van 't haar en de oogen slaat,
O dit ontroeren
O dit ontroeren om een klein gezicht,
Vredig en goed, onder donkre haren,
Bruin met goudglans, die de zware
Streeling der handen doet trillen in 't licht.
[O koele zwarte ademen van den nacht]
O koele zwarte ademen van den nacht,
stil vlietende kannen van wijnzwart gebracht
in haar rouwvingeren slepend zoo zacht -
gaat lavende tot waar mijn liefste wacht.
Kussen
Roode lippen, blanke leden
Wijken uit hun eng omhelzen
Naar de koele heldre grenzen
Waar zich oog en oog ontmoeten
De gravin
Zij zat voor 't hooge venster naast haar gade.
Hun pages speelden op 't beschaduwd plein
En schoten door de stralen der fontein
En in de boomen rond de esplanade.
Fuego
Zij ging alleen, rhythmisch en roofdierachtig,
Met lange passen nauwlijks rakend de aarde.
Klein leek de dansvloer en zij oppermachtig:
Een tijgerkat gevangen in een gaarde.
De zwemmer
Hij zag mijn stijgende bewondring wel
Toen, wiegelende, hij naar ’t water schreed,
En blank en onverhoeds daarin vergleed:
Wolkonderschept verblindend zonnespel.
De verwachte
De morgenwind door de open ramen,
De fonkelend gedekte disch,
De koele rust, die niet dan samen
Volkomen te genieten is,
Penthesileia
De bronzen kling
omheuvelt ademend het schemerdal.
daarachter zingt de zee een zachten dood
wuivende zeilen,
Virgo
Zij is aan Allahs engelen gelijk.
'k Verbaas mij soms dat zij op aarde leeft.
Zelfs als zij 't hevigst in mijn armen beeft,
Voel ik nog vaak haar boven mijn bereik.
LXX. Aan Mathilde
Aanbidt de mensch een afgod hem gelijk?
'k Aanbad. Gij hebt mij tot u opgeheven,
En 't arme hart werd duizend levens rijk:
Want, waar ik leven zag, schonk ik mijn leven;
Iris
Ik ben geboren uit zonnegloren
En een zucht van de ziedende zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van wanhoop en wee:
Wandeling zonder maan
De grote mensen zijn naar bed gegaan.
Mijn lieve kind, wij zouden kunnen lopen
om 't huis, door 't donker, maar het hek staat open,
de straat op, onder een lantaren blijven staan.
Oppervlakkige Charleston
Als je van het meisje van Milwaukee houdt
van het meisje houdt
van het meisje van Milwaukee houdt
- van de nacht vallen de sterren veel
Con sordino
Zij zei tot mij: ‘Je bent een prins in bed’.
IJsbloemen waren op het raam gesproeid.
Ons lichaam, tot ontbinding toe vermoeid,
Was tusschen koele lakens in-gebed.
[Ik droom uw droom]
Ik droom uw droom; gij droomt mijn droom. Wij beiden
we zijn alleen door ruimte, alleen door tijd,
we zijn alleen door wrok of vrees gescheiden.
Maar 'k weet dat gij moet lijden, daar ik lijd.
Liedeken [’s Nachts rusten meest de dieren]
'S nachts rusten meest de dieren,
Ook mensen goed en kwaad,
En mijn lief goedertieren
Is in een stille staat,
[Eens meien morgens vroege]
Eens meien morgens vroege
Was ic upgestaen;
In een scoen boemgardekin
Soudic spelen gaen:
[Ghequetst ben ic van binnen]
Ghequetst ben ic van binnen,
Duerwont mijn hert soe seer,
Van uwer ganscher minnen,
Ghequetst soe lanc soe meer.
Raadgeving
Minnaars, wilt ge uit vrijen gaan,
Trekt de stoute schoenen aan,
Schudt de kindsche blooheid uit,
Maakt ze, die ontvlieden, buit;
Droom. Aan Louïze
Ik droomde deze nacht, dat, door de min verbonden,
Ik de uwe als Adam ware, als Eva gy de myn':
Ik weet niet welke snoode zonden
'Er toen door ons bedreven zyn;
Baadster
Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,
En toefde op de eerste treê; heur armen beurden
En wrongen 't blonde hair, dat druipend-nat
Nog van den amber der violen geurde.
Sonnet [Geswinde grijsart]
Geswinde grijsart die op wackre wiecken staech,
De dunne lucht doorsnijt, en sonder seil te strijcken,
Altijdt vaert voor de windt, en ijder nae laet kijcken,
Doodtvijandt van de rust, die woelt bij nacht bij daech;
[Toen de tijden bladstil waren, lang geleen]
Toen de tijden bladstil waren, lang geleen,
is ze geboren, in herfststilte een bloem,
die staat bleeklicht in 't vale lichtgeween, -
regenen doen de wolken om haar om.
Sonnet voor Cynara I
Dat ik van binnen brand, ik ben de eerste niet;
dat mij dit vuur verslindt, de laatste zal 'k niet zijn;
dat mij de slaap niet vindt voordat door het gordijn
de grauwe ochtend sluipt - 't is duizendmaal geschied.
[Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht]
Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,
Bezinning
Na de schrik en
Begenadiging,
Onder 't snikken
Van verzadiging,
Vrouw
Lichaam, wentelend al-leven
gedrochtlijk staan wij en massaal geheven
tegen den rottend-paarsen hemel van verlangen
hijgende nacht
[Wie weet en zal mijn liefde in u niet dalen, kind]
Wie weet en zal mijn liefde in u niet dalen, kind,
vreemd, kalm, en simpel-teêr als de' avond om de graven....
Want wie, die in gelatenheid zijn tocht begint,
wie weet de vrouw die langs de baan zijn lip zal laven
Woorden in den Nacht
Voel je hoe ik naar je toe kom?
Je bent naakt in den nacht.
Wacht, ik doe eerst een doek om.
Nog niet, nog niet.
Avond-klacht
O! Wat er in den avond ligt:
Herdenken aan uw bleek gezicht
En d'oude zangen.
Dat maakt m'n lippen sprakeloos
Huivering
Het leven verlangt steeds naar den dood.
Bemin je? Weet jij waar vandaan
Wij kwamen en waarheen wij gaan?
Neen? Nu, wat heeft dan blijven nood?
[Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten]
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, -
Bloei
O, vrouw,
bloeit schaduw waaierbloem en firmament,
dat sterren schrijden in den gang mijns bloeds
en nacht de weerklank van den roep der handen
V Eerste Aanblik
En, peinzend, zie 'k uw zee-blauwe oogen pralen,
Waarin de deernis kwijnt, de liefde droomt, -
En weet niet, wat mij door mijn adren stroomt:
Ik zie naar u, en kan niet ademhalen:
Liedje
Van onder hooge boomen
Schijnt de avondzon,
Toch zal mijn lief niet komen
Over gouden gazon.
Wiegeliedje voor de geliefde
Dat trage zich toevouwen je oogleden,
te dragen het loom fluweel van onze nacht.
Onze dag is geweest als bange blanke vazen, die waren blij
de bloemen van ons liefdespel te scharen rij aan rij.
[Het is weebleekerig grijs]
Het is weebleekerig grijs,
het regent wat,
de wind zingt een arme wijs,
de daken zijn nat.
IX. April.
Lichtblauwe lucht, waar leeuwerikken zingen!
Herboren woud, waar nieuwe sappen wellen
in de oude stammen, bladerknoppen zwellen
en donzen blaadjes, blij, in 't zonlicht springen!
[Gij staat zoo heel, heel stil]
Gij staat zoo heel, heel stil
met uwe handen, ik wil
u zeggen een zoo lief wat,
maar 'k weet niet wat.
XI Smeekbede
Zooals de zon den dauwdrup, als de roze
De bij, en 't wijde wak der zee de beken
Duldt aan het warme hart, het bodemlooze,
Waarin zij, wat hen lijden deed, ontweken;
Over het zich verkondigen van de ziel in de oogen.
Samenkomen van oogen is gebroken
muziek, hun roeringen zijn wonderbare;
en verschuiving van wanden onzichtbare
die werend bouwden ziele' om zich. - 't Gesproken
Sander
Een lichaam dat op warmte wacht,
de zuiverheid van wenkbrauwbogen,
de lijnen van een mond, die lacht,
de wimpers boven meisjesogen,
Een meisje spreekt
Toen ik voor het eerst die dingen hoorde
was ik dertien of veertien jaar,
zag op weg naar school de mensen op straat
en dacht: die zijn naar bed geweest
Middelbaar onderwijs
het mooiste meisje van de klas
verschrikt onwennig bij haar schouder
een bandje van haar bustehouder;
ze draagt dat rare ding maar pas.
heel in de verte hoor ik …
heel in de verte hoor ik
het toeteren van auto’s en
ik denk aan jou tussen
de huizen en pratend of
Tegen het krakend hek
Zo stonden wij tegen het krakende hek,
zo buiten de wereld als paarden.
Het was weer aarde, gier en soir de
paris, een avond van waar en wanneer.
De engelsman
Je sliep, je droomde, glimlachte en zei:
“no I don’t care”, gevolgd door
een gekir, een meisjesachtig giechelen.
Dit was zo duidelijk als wat.
Heks Heks
Tover jij?
je leeft zo eenvoudig
als duizend anderen
binnen een tent van frans katoen
Je wandelde met jezelf en met mij …
Je wandelde met jezelf en met mij
langs de zee, toen je plots
je huid wilde zijn en in zee
zwemmen en geheimen toevoegen aan
Als ze genadeloos traag …
Als ze genadeloos traag, geeuwend, héhé,
een peperduur slipje van niks op de vloer laat landen
(sex hoort net als luxe met mysterieuze x)
waarna ze haar voor zijn handen veel
Liberty
Soms, in een etalage, komt gij voor,
tussen geslachtsgenoten opgesteld,
bekleed met nieuwe kleren en vermeldt
het kaartje op uw borst de prijs waarvoor.