't Noodlot draait zijn wentlend rad;
Rijdt en rolt den aardbol plat,
Bergen op en over holen;
't Rost en jaagt en zwiert en giert,
Bij het lijkje van een kind
't Kruipend rupsje, moê gekropen,
Afgetobd in de enge cel,
Brak zijn kluisje fladdrend open,
Klapwiekte uit zijn dorre schel.
Volkslied
Wien Neerlandsch bloed in de aders vloeit,
Van vreemde smetten vrij,
Wiens hart voor land en koning gloeit,
Verheff' den zang als wij:
Mijne verzen
Zielloos staat gij, levenloos,
Zonder klem of zwier,
Zangen, uit mijn hart geweld!
Op het koud papier.
In het album van mr. S. Ipz. Wiselius
Zie hier mijn schrift, mijn beeld. Gij vraagt ze: ik geef u beiden;
Neem, neem mijn hart er bij: ik voeg die allen zaam,
En geef ik ooit u 't regt om hen van een te scheiden,
Verscheur mijn beeld, vergeet mijn naam.
Raadgeving
Minnaars, wilt ge uit vrijen gaan,
Trekt de stoute schoenen aan,
Schudt de kindsche blooheid uit,
Maakt ze, die ontvlieden, buit;
De sneeuw
't Grimmig Noorden sloeg door 't loover
Als een snijdend zwaard;
Al 't geboomte stond ontblaârd;
d'Akker schoot geen oogst meer over
De gevels van de huizen
Slaat zulk een blik van deernis niet
Naar gindsche stulp van leem en riet,
Gij, die er langs rijdt, stedelingen!
Laat, schoone jonkvrouw uit de stad!
De vogelen
't Groen puilt naauwlijks uit de boomen,
Of daar zijn ze weer in 't hout,
Al die zwervers, jong en oud.
Waarvandaan toch of ze komen?
Mijmering
'k Heb nooit den glans en 't klatergoud der hoven
Met afgunst in het hart bespied;
Nooit kwam de zucht tot heerschen in mij boven:
'k Misgun den vorst zijn scepter niet:
Droom. Aan Louïze
Ik droomde deze nacht, dat, door de min verbonden,
Ik de uwe als Adam ware, als Eva gy de myn':
Ik weet niet welke snoode zonden
'Er toen door ons bedreven zyn;