Als de regen komt zuigen de bomen zich vol
uit de buik van de aarde, maar dit is een mens.
Zij loopt onder zeildoek en heeft iets te dragen
waarvan zij de naam niet eens kent.
Onrecht, oorlog, macht en de vrijheid van mensen.
Wraak
Ik sta geregistreerd. Geboorte, plaats, tijd.
Ik sta voor zowat één kilo papier:
geboorteakte militie, verhuizen van daar naar hier,
politieke sympathieën, vakbondsaangehorigheid.
Brussel
Geen krot stort hier ooit in. Ze blijven staan
uit gewoonte, beweert een collega van me,
en als ze je niet bevallen, zijn er enkel
andere lelijke huizen om eraan te ontsnappen.
Klokke Roeland
Boven Gent rijst
eenzaam en grijsd
't oud Belfort, zinbeeld van 't verleden,
Somber en grootsch,
’t Geuzenvendel op de thuismars
Zij kwamen na jaren uit Brabant weerom
met vliegend vaandel en slaande trom,
en zagen de zon, bij het zinken,
op 't duin van hun vaderland blinken.
Dit vergeefsch verweer
Dit vergeefsch verweer:
mannen en vrouwen zijn moe,
pijn
heeft zich zwart op ooghoeken gezet;
Der vrouwen moed
Buite' in de heldre wereld vol bewegen
weefden de mannen hun glanzende taak,
zij vulden saam de uren tot de zege,
de oogen ware' op hen als op een baak.
Dwaze maagd
Gevallen engel in de melaatse wijk
aan haar sloeg schennis en een doem van zonden
Eens hooggerezen
beurde zij haar glorielijf ongerept in het licht
Woord-jazz op Russies gegeven
Donkozakken Donkozakken
Rogoschin lachen
Rogoschin mes
Rogoschin mes-lachen
Brabançonne
Gegroet, mijn Land, zoo rijk aan heldennamen,
Vol hoogen roem van eeuw tot eeuw getorst!
Hier heerschte recht; hier stroomt de wereld samen
En eert en leert de trouw aan wet en Vorst.
Soldaatjespelen
De knapen spelen, op de breede plaats,
Met houten sabel en geweer gewapend,
En krijgsmuziek van trommel en trompet.
Roodwangig zusje, een degen in de vuist,
[De arbeiders dringen zich aan den trog]
De arbeiders dringen zich aan den trog
der kennis, en eten ze, ach, zoo graag,
hoe talrijk zijn ze, en leeg is hun maag,
hoe slobbren ze allen aan het karig zog.
De vooruitgang
Zij komen los en niets zal hen weerstreven:
van de paleizen kraait hun rode haan,
uit alle krotten bloeit een rode vaan,
de burgers smelten en de goden beven!
[Ik ook heb dit mijn vrouwehart]
‘Ik ook heb dit mijn vrouwehart, dit teere
breekbare ding, dat elke toon doet trillen,
gevoerd in 't strijdperk waar vijand'ge willen
in stalen pantser elkander braveeren.
[Het socialisme het is een eikeltje]
Het socialisme het is een eikeltje,
het is een ster van uit de vert gevallen,
het is een kindsdroom die tot waarheid werd,
het geluk gouden, plotsling met een vaart
[Heer, tusschen ons in leefden vele zonen]
Heer, tusschen ons in leefden vele zonen
van 't Oude Volk, zij zongen onvermoeid
hun levenslied ons voor vol warme tonen,
zij waren allengs met ons saamgegroeid
[O dichters, ziet ge niet dat hier de bron]
O dichters, ziet ge niet dat hier de bron
is van het drama, en het heldendicht,
en de lyriek, dat alle poëzie
uit de wel der toekomst te scheppen is?
Voorbij
Het is voorbij. Bloesemdroomen verstoven;
korte papavervlam te niet gedaan,
niet één belofte in vervulling gegaan:
het ooft valt af, de aangevreten schoven
[O klaar, klinkklaar Holland van water en lucht]
O klaar, klinkklaar Holland van water en lucht,
O grijs België, zonnig Korenland,
Frankrijk, woest Spanje, lachend Italië,
O steunend Rusland, en 't verdeelde land
In Nederland...
In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
Tot de sluiters van grenzen
Omdat gij andre talen spreekt
En muren om uw staten bouwt
En op uw sterk geweld betrouwt,
Waan daarom niet
Ons nationaal drinklied
Wij drinken hier niet van verdriet,
Nog minder van plezier;
Toch drinken wij, zoals gij ziet:
Er is niet anders hier!
Holland
Graauw is uw hemel en stormig uw strand,
Naakt zijn uw duinen en effen uw velden,
U schiep natuur met een stiefmoeders hand, -
Toch heb ik innig u lief, o mijn Land!
Scheeps-praat, ten overlijden van Prins Maurits
Mouring, die de vrije schepen
Van de Zeven-landse buurt
Veertig jaren, onbegrepen,
Onbekropen heeft gestuurd,
Een triomfantelijk lied van de Zilvervloot
Heb-je van de Zilveren Vloot wel gehoord,
De Zilveren Vloot van Spanje?
Die had er veel Spaansche matten aan boord
En appeltjes van Oranje!
Volkslied
Wien Neerlandsch bloed in de aders vloeit,
Van vreemde smetten vrij,
Wiens hart voor land en koning gloeit,
Verheff' den zang als wij:
Het lied van Heer Halewijn
Heer Halewijn sanc een liedekijn;
Al wie dat hoorde wou bi hem sijn.
En dat vernam eens conincs kint,
Die van haer ouders so werd bemint.
De gevels van de huizen
Slaat zulk een blik van deernis niet
Naar gindsche stulp van leem en riet,
Gij, die er langs rijdt, stedelingen!
Laat, schoone jonkvrouw uit de stad!
Gebed te Waalwijk
O Christus met Uw zacht gelaat,
Marye, die daarneven staat,
Wil U tot ons bezinnen.
Gij, die den hemel overziet,
Voor de Vlaamsche letterkundigen
Broeders van den gilde, man voor man.
Vlamingen, Belgen, eens van zin
Met uw Koning, uwe Koningin,
Met uw beijaards en Kathedralen,
Het lied der achttien dooden
Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
[De keien zijn zoo puntig op de straten]
De keien zijn zoo puntig op de straten.
Blonde soldaten, doen je voeten pijn,
Smoor je verdriet met een naief refrein:
‘Marie, Marie, ik moet je gaan verlaten’.
Moed.
Geef mij den moed om onrecht te onderkennen,
Ook waar 't door eeuwen van gebruik gewettigd wordt,
Den vasten wil aan onrecht nooit te wennen,
Ook waar de macht, het weg te nemen, schort.