'k Zat bij Sint Markus in 't café en schreef.
Toen kwam een vrouw en bood me een anjelier.
Ik schudde 't hoofd en wenkte: neen, niet hier.
Woorden zijn bloemen, dacht ik, en te geef.
Het alen-lied
Uit de Sargasso-zee, naar de Sargasso-zee!
Donker de weg waar de Golf stroom spoelt.
Landwaarts in, landwaarts in, helle rivieren op,
Vol van de spiegling van stad en woud.
Breughels Ikarus
Vielt ge, Ikarus? De landman snijdt de voor:
Hij heeft voor 't plassende geplons geen oor.
De visscher op de rotswand houdt zijn plaats,
Vol winzucht zorgend voor 't bewegend aas.
De Noordzee
De Noordzee doet zijn gore golven dreunen
En laat ze op 't strand in lange lijnen breken.
Zijn voorjaarswater marmren groene streken
En schuim en zwart waaronder schelpen kreunen.
De zegger van verzen
Luister : het zeggen van dit vers is zo
Dat het door middel van uw oor uw ziel
Moet aandoen met de vreugde en zekerheid:
„Dit is voor mij geschreven". Want ik weet
Bij de dood van een kind
Zij kwam een poos en zag met open oog
De wereld aan.
Toen is zij heengegaan.
Wij wisten nooit wat haar het meest bewoog.
De zin van het rijm
Geheimen heb ik vaak, en klaar, gesproken
En leg nu in dit klaarste 't grootst geheim:
In paring en omarming van het rijm
Liggen verlangen en geluk verdoken.
De wielrijder
Langs alle wegen
Gaan we op ons rad.
De dwaze drentelt,
De wijze wentelt,
Tot de sluiters van grenzen
Omdat gij andre talen spreekt
En muren om uw staten bouwt
En op uw sterk geweld betrouwt,
Waan daarom niet