Geheimen heb ik vaak, en klaar, gesproken
En leg nu in dit klaarste 't grootst geheim:
In paring en omarming van het rijm
Liggen verlangen en geluk verdoken.
En wordt de binding schijnbaar opgebroken,
Ge weet toch dat ik van verlangen zwijm :
Eer ge kunt spreken wordt de korte vlijm
Van de angst door nieuwe omcirkeling gewroken.
Een beetre vorm vonden de minnaars niet,
De dichters die de pols van 't leven vonden
In 't zoete klinken van hun rijmend lied.
Hun woorden waren 't kloppen van hun wonden
En zelfs het oopnen van een nieuw verschiet
Werd door hun kunst aan de oude kim verbonden.