Opgevoed in zwijgzaamheid.
Het is sindsdien mijn vak: woorden zoeken
die zwijgen. Die je niet hebt,
maar alleen kunt krijgen.
Dichterschap, muziek, woorden en het scheppen van schoonheid.
Onze slaapkamergordijnen worden opzij gehouden door
Onze slaapkamergordijnen worden opzij gehouden door
kwispels, zoals je een chique vrouw even apart neemt
met een hand om haar heup. (Ik zeg iets in haar oor.)
Zo hangt links een door mij naar links even apart genomen
Je truitjes en je witte en rode
Je truitjes en je witte en rode
sjaals en je kousen en je slipjes
(met liefde gemaakt, zei de reclame)
en je brassières (er steekt poëzie in
Met handen kun je alles: een sigaret
Met handen kun je alles: een sigaret
opsteken, haren strelen,
een borst aanraken, een borst niet aanraken -
dit allemaal opschrijven.
Steepletop
Hoor eens jij, basilicum, en jij
daar, Lemon Verbena, jullie allebei:
nu is het aan jullie om je wat te sterken
tegen de vorst. Ik zorgde voor snoeien.
‘Slaap maar,’ zeg ik
'Slaap maar,' zeg ik
tegen een dochter die allang slaapt
en daar wakker van wordt.
Het onweert. Misschien wil ik wel
Vingerafdrukken op het venster
Ik denk dat poëzie iets is als vingerafdrukken
op het venster, waarachter een kind dat niet kan slapen
te wachten staat op de dag. Uit aarde komt nevel,
uit verdriet een soort ach. Wolken
Ik zie wat ik heb. Ik heb dat ik zie. (1)
Ze kan monter aan komen waggelen als een Limburgse
boerin van vier jaar. Ze kan koket streng kijken
als mijn 75-jarige moeder van vier.
En als die moeder gestorven is, probeert ze
Poëzie
Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
Kritiek
Gisteren nog vond ik het woord
‘lieveling’ uit, en droeg het op een rood
kussentje naar jou. O, schat, zei je,
dat hoefde niet. Maar je liet goed
Hoe hield ik platonisch van je gedachten
Hoe hield ik platonisch van je gedachten
en onnoemelijk veel van de rest.
Je borsten waren zachte
kolfjes naar mijn hand,
Denkend aan vroegere gedichten
Wij waren jong, wij sprongen
te paard op de taal en reden
heersend de velden door,
slingerend lasso’s van woorden
Ballerina
Gebaar voor gebaar reikt
ze haar lichaam over aan haar dromen
en telkens wordt ze meer
dan ze al was en telkens reikt ze weer.
Recepten voor navolging: In den trant van Hooft
- ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ -
⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ -
Titel: Sanghetjen. - Liedeken. - ***. -
Aa. ee. oo. aa. oo. ee. ee. aa. oo.
Music-hall [II]
Nu rinkelt schel
De elektrieke bel
En scheurt de vrede van den avond
Tot één rinkelende wond
XXII. [De boomen dorren in het laat seizoen]
De boomen dorren in het laat seizoen,
En wachten roerloos den nabijen winter.
Wat is dat alles stil, doodstil.... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.
De bazuin-engel van Notre-Dame
O mildheid der slanke ogivalen:
daarachter
berijdt
hij
De schalmei
Zeven zonen had moeder:
Allen heetten Peter,
Behalve Wanjka die Iwan heette.
Allen konden werken:
Het kind en ik
Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.
Woord-jazz op Russies gegeven
Donkozakken Donkozakken
Rogoschin lachen
Rogoschin mes
Rogoschin mes-lachen
Verwantschap
Een roos ontluikend en een druif die berst,
In zwellende aar de volle korrels gerst,
Van sparren 't hars, die traan uit overdaad,
Een vogelgorgel waar het lied in slaat,
Breughels Ikarus
Vielt ge, Ikarus? De landman snijdt de voor:
Hij heeft voor 't plassende geplons geen oor.
De visscher op de rotswand houdt zijn plaats,
Vol winzucht zorgend voor 't bewegend aas.
Huldegedicht aan Singer
Slinger
Singer
naaimasjien
Hoort
Tempo
Bal
lala ai
lal
balalaika
Als onze ziel niet zong
Als onze ziél niet zong,
En vreugdedansen sprong,
Zouden dan wel de vógels zingen,
De bronnen uit de rotsen springen,
[Regelmatig gingen regelen wateren]
Regelmatig gingen regelen wateren
de kust langs, in 't vloedend oneindige,
het water dat zich nooit te reinigen
behoeft - allen, de eerste en de lateren.
[Waar op de plecht, gekarteld uit het hout]
WAAR op de plecht, gekarteld uit het hout
het zwart verweerde, van de offerschaal
de wijn geplengd wordt en een purperregen
zijgt in de blauwte van het watervlak
Rozen, ik vind u droef
Rozen, ik vind u droef,
Rozen, mijn tranen breken
Uit oogen, die anders stroef
En onverbreeklijk keken.
De zegger van verzen
Luister : het zeggen van dit vers is zo
Dat het door middel van uw oor uw ziel
Moet aandoen met de vreugde en zekerheid:
„Dit is voor mij geschreven". Want ik weet
Tweede voorschrift
Wie kent zichzelf?
ga zitten in een nieuw gewelf
en neem een korte, scherpe stift
die voor de drift en 't vliegend weer
Polonaise
Ik zag Cecilia komen
op een zomernacht
twee oren om te horen
twee ogen om te zien
De zin van het rijm
Geheimen heb ik vaak, en klaar, gesproken
En leg nu in dit klaarste 't grootst geheim:
In paring en omarming van het rijm
Liggen verlangen en geluk verdoken.
[O dichters, ziet ge niet dat hier de bron]
O dichters, ziet ge niet dat hier de bron
is van het drama, en het heldendicht,
en de lyriek, dat alle poëzie
uit de wel der toekomst te scheppen is?
Japansche danseres
Zij was zoo tenger dat het wijd gewaad
Haar eerder hulpeloos dan grooter maakte,
Zoo kinderlijk alsof het smal gelaat
Onder de zware wrong zoopas ontwaakte.
Oppervlakkige Charleston
Als je van het meisje van Milwaukee houdt
van het meisje houdt
van het meisje van Milwaukee houdt
- van de nacht vallen de sterren veel
De zee
‘Wie schrijft, schrijv' in den geest van deze zee
of schrijve niet; hier ligt het maansteenrif
dat stand houdt als de vloed ons overvalt
en de cultuur gelijk Atlantis zinkt;
[Ik sprak enthousiast over ’t Parthenon]
Ik sprak enthousiast over ‘t Parthenon,
hoe ‘t op verende berg zweefde, als een blank
snaarinstrument, dat door zijn zuilen, rank,
de wereldlucht tot aan de horizon
Het steenen kindje
Buiten de herberg waar we bleven
In 't oude stadje aan den Rijn
Begon des nachts muziek te beven.
Wij zetten ons, achter 't gordijn,
Impasse
Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.
Kleine prélude van Ravel
Langs de twee coniferen naar
Het smalle rozenboompje, was
Met kamerschermen een boudoir
Geïmproviseerd op het gras.
Heet van de naald
Ach hoe kan ik nu ook schrijven
zij is getrouwd met een ander
en heeft kinderen
zoals het moet
Loemoem lammoem laroem lakoem
loemoem lammoem laroem lakoem
bergamotse pergolas
boestroem bastroem bestroem bostroem
arboesti arboesas
De kern van alle dingen
De kern van alle dingen
is stil en eindeloos.
Alleen de dingen zingen.
Ons lied is kort en broos.
Rijmelarij
Zoo veel
Het filomeelgekweel
Verschilt van 't schorre meeuwgeschreeuw
En 't rauw gekras
Mijne verzen
Zielloos staat gij, levenloos,
Zonder klem of zwier,
Zangen, uit mijn hart geweld!
Op het koud papier.
Hondenmijmering
Sakkerloot! hoe jeukt mijn maag!
In geen zes kwartier gegeten.
Schrale tijden. Vlooienbeten.
Kwade jongens. Beestenplaag.
De zingende danser
Wie danst zoo rank, zoo rap, zoo zacht van zede,
Met stap en stamp, buiging, handslag en kushand?
Een knaap, die mijn hart heeft verzoend met Rusland,
Die maat en muziek maakt van zijne leden.
De mattenklopper
Er is een schoonheid in ’t armoedigst kleine,
Die zich in stilsten droom slechts openbaart.
Gelijk somtijds een zwerver eenzaam staart
Naar een Moors venster, sierlijk rijk van lijnen,
Kosmografie
Wie 's avonds bewonderend opwaarts kijkt,
Als de hemel met talloze sterrekens prijkt,
Die blikk'ren en flikk'ren
Als lichtende ogen,
[Door kelken van onwezenlijk kristal]
Door kelken van onwezenlijk kristal
Schijnt de ondergrond van tragisch-paars fluweel.
Onzichtbaar is de lamp; langs ied're steel
Hangt, smal en stil, een zonn'ge waterval.
I Aan de sonnetten
Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten,
Gij, kindren van de rustige gedachte!
De ware vrijheid luistert naar de wetten:
Hij stelt de wet, die úwe wetten achtte:
O dichtergeest
O Dichtergeest, van wat al banden
hebt gij mij, armen knecht, verlost,
en, uit uw' handen,
wat heeft uw dierste gunst mij weinig werks gekost!
[Met blauw-papieren pijlen op mijn wangen]
Met blauw-papieren pijlen op mijn wangen
En op mijn hoofd een gele ster geplakt,
Blijf ik, terwijl een aap mijn handen pakt,
Onderste-boven aan een rekstok hangen.
[Dof violet is 't west en paarsig grijs.]
Dof violet is 't west en paarsig grijs.
Nog wandel 'k door het zwaar berijpte gras,
En hoor naast me op de vaart het fijn gekras
Van schaatsen over 't hol rinkelend ijs:
[De Vlaamsche tale is wonder zoet]
De vlaamsche tale is wonder zoet,
voor die heur geen geweld en doet,
maar rusten laat in 't herte, alwaar,
ze onmondig leefde en sliep te gaar,
IV Erato
De purpren avond was in 't west verdwenen
En glanzend zilver droomde op donkere aarde, -
Toen is de blonde Muze mij verschenen....
Mijn ziel werd vuur, toen haar mijn oog ontwaarde. -
[Claudien, jij speelt piano, en ik zit]
Claudien, jij speelt piano, en ik zit
In de warande, en luister naar het zingen
Uit het innige hart der stille dingen,
En luister naar de stem der nacht die bidt -
Sonnet voor Cynara VI
Hart heb geduld, het zal straks anders keeren.
Nog altijd rest ons adem voor het lied
dat, onbekommerd zingend, balsem biedt
en teerspijs is voor wie veel moest ontberen.
[Ik wijd aan U dees verzen, zwaar geslagen]
Ik wijd aan U dees verzen, zwaar geslagen
Van Passie, en Verdoemenis, en Trots,
In doods-bleek marmer of dooraderd rots,
Al naar mijn kunstnaars-wil en welbehagen.
Van 't veld
Van 't oogstveld knikken de korenroos,
de hoogrankende akkerwinde;
een droom van zonne, schaduwloos,
hangt boven de bloeiende linde.
Tempo di menuetto.
De volle weelde van een melodie
Breekt uit het hart van de piano open.
Ik zie je bleeke stille handen, die
Over de witte en zwarte toetsen loopen.
Woninglooze
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.
M'n Poëzie
O! Snaren van m'n jonge ziel,
Ik voelde uwe trillen zacht...,
Wijl 't woordjen op u nederviel,
Dat door m'n tranen lacht.
O lied
O Lied! o Lied,
gij helpt de smert
wanneer de rampen raken,
gij kunt, o Lied, de wonde in 't hert,
Het Einde
Nog zweven liedren op den wind
En gaan van mond tot mond,
Van ouder op kind.
Maar 't speeltuig ligt in 't stof geworpen
[O, lichte Visioenen mijner Jeugd!]
- O, lichte Visioenen mijner Jeugd!
Al, àl te dierbare herinneringen,
Toen 'k dorst met stamelenden mond te zingen
De groote droomen mijner zienersvreugd.
Francis jammes
Zo goed zijt gij als Jozef, gelukkig om het voedstervaderschap;
toen schiepen de eenvoudigste liederen stemmen hen te zingen.
D'Assisen ging tot de vogelen, d'eenvoudigste wijze van geloof.
Dauw van de helderste morgen was hun beider kinderlijke woord.