O! Snaren van m'n jonge ziel,
Ik voelde uwe trillen zacht...,
Wijl 't woordjen op u nederviel,
Dat door m'n tranen lacht.
O! Zacht en zangerige woord,
Waarin ik peerlen vind,
Hebt gij m'n vreugde niet gehoord
Toen 'k worden mocht uw kind?
O Gij, die m'n gedachtjes kust
En wiegt m'n droefenis,
't Is, of m'n innerlijke rust
Door u beveiligd is.
O lieflijkheid! o zanggetril!
Verwarm het harte mijn,
Dat arm... verlaten hart, en wil
M'n eeuw'ge rijkdom zijn.