Het is een soort niets dat ik zoek. Wat je overhoudt
als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken:
je beide handen. Geuren lanterfanten door de tuin.
Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar
Bestaan, levensvreugde, twijfel en de grenzen van het leven.
November
Er hangen nog twee blaren
aan mijn esdoorn. Duizend andere zijn
rood geworden, alvorens dood.
Vergeten te kijken.
O, ik weet het niet
o, ik weet het niet,
maar besta, wees mooi.
zeg: kijk, een vogel
en leer me de vogel zien
Een dag om je prettig te voelen, om
Een dag om je prettig te voelen, om
de 1000 meter te lopen, Hemingway
te lezen en van je te houden
De zon is een gulle welgedane man,
Nog een geluk dat
Nog een geluk dat
Zoals met de gek uit het grapje
die zich voortdurend met een hamer
op het hoofd sloeg, en naar de reden gevraagd, zei:
De spoorbaan ligt mijlen verder daarbuiten
De spoorbaan ligt mijlen verder daarbuiten.
De kamer is vol vrolijk gepraat.
En toch hoor ik die ene trein die er slechts staat
minstens tien keer per dag fluiten.
Zonder begrip
Zonder begrip.
(Je kunt jezelf begrijpen,
je kunt een atoombom begrijpen.)
Zonder zin.
Verlanglijstje
Geef mij Nescio en Tsjechov, oude boeken.
Geef mij na mijn zoveelste kale reis
iemand die mij twee haren uittrekt
en glimlachend zegt: je wordt grijs.
St. Ives, kerkhofje
Op dit kerkhof lijkt de dood zelfs op haar beurt gestorven,
de zerken op hun beurt begraven, onder gras
dat leeft en vrolijk overleeft
op grond van wat er destijds was.
Ter ere van de goedertieren maan (6)
Pijn, zit er echt niets anders op
dan de dagen die me zijn gebleven
haard en bed, en helaas ook dezelfde kop
met je te delen? Jij maar vragen, ik maar geven?
Ter ere van de goedertieren maan (5)
Dood, ik zal sterven, maar da’s alles wat ik doe voor jou.
Ik zal niet bang zijn, veel plezier ga je er niet aan beleven.
Ik zal niet zuchten en niet huilen en niet beven.
Dood, ik zal sterven, maar da’s alles wat ik doe voor jou.
Brussel
Geen krot stort hier ooit in. Ze blijven staan
uit gewoonte, beweert een collega van me,
en als ze je niet bevallen, zijn er enkel
andere lelijke huizen om eraan te ontsnappen.
Verlangen
O! een gloeijend verlangen doortintelt mijn borst
Naar de aanschouwing van 't eeuwige schoon;
O! mij kwelt een onleschbare, een brandende dorst......
Wordt mij nimmer verkwikking geboôn?
XXII. [De boomen dorren in het laat seizoen]
De boomen dorren in het laat seizoen,
En wachten roerloos den nabijen winter.
Wat is dat alles stil, doodstil.... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.
Het alen-lied
Uit de Sargasso-zee, naar de Sargasso-zee!
Donker de weg waar de Golf stroom spoelt.
Landwaarts in, landwaarts in, helle rivieren op,
Vol van de spiegling van stad en woud.
Het geluk is een verrekt klein olifantje
het geluk is een verrekt klein olifantje
in het bezit van een pascha met een harem
die het doet zuchten iedere nacht van
o God wat heb ik met mijn leven gedaan en waarom
Lex barbarorum
Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.
ik heb mij langzaam recht overeind gezet.
Als regen...
In de dieren heb ik je teruggevonden
mijn kleine oogje mijn molen zonder wieken
en op dit deuntje gaan wij langs het strand:
haal de zon uit de dageraad
[Zooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan]
Zooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan,
verzadigd krachtig, in het hoog gezag
des avonds met in 't oog vierkant de dag
van licht, waardoor zij zwaaiend zijn gegaan.
[Ook ik ben omstreeks ’t midden mijner dagen]
‘Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
verdwaald geraakt in levens donker woud,
maar mij heeft geen aardsche wijsheid ontvouwd
den weg uit smart en twijfel, noch gedragen
[Waar op de plecht, gekarteld uit het hout]
WAAR op de plecht, gekarteld uit het hout
het zwart verweerde, van de offerschaal
de wijn geplengd wordt en een purperregen
zijgt in de blauwte van het watervlak
Goede dood
Goede Dood wiens zuiver pijpen
Door 't verstilde leven boort,
Die tot glimlach van begrijpen
Alle jong en schoon bekoort,
Uit de Rubaijat 10
De wereld gaat en gaat, als lang na dezen
mijn roem verging, mijn kennis hooggeprezen.
Wij werden vóór ons komen niet gemist,
na ons vertrek zal het niet anders wezen.
[Ik ben met u alleen, o Venus, felle star]
Ik ben met u alleen, o Venus, felle star.
En, waar 'k vergeefs in mij uw stralend gloeien zoeke,
blijft leêg mijn marrend harte, en bar.
Mijn harde mond is strak aan beiden starren hoeke.
[Zegen deze' avond, God: ons handen rusten]
Zegen deze' avond, God: ons handen rusten;
en, kenden onze leden 't kleed der vreemdste lusten
en ons verlangen 't pad van de' ongewoonsten waan:
tháns zijn onze oogen moede als van wie sterven gaan...
Eenzame nacht
Uw oogen waren er niet,
Uw stem was zoo ver, zoo ver,
Het was een avond zonder lied,
Nacht zonder ster.
Polonaise
Ik zag Cecilia komen
op een zomernacht
twee oren om te horen
twee ogen om te zien
[Ten tragen heuvel-flank waar trouwe schaâuwen valen]
Ten tragen heuvel-flank waar trouwe schaâuwen valen
hangt, als een draal'ge schapen-kudde, een waarge smoor.
En 'k voel, bezonke' in mij, 't geslonken dage-dalen,
en schouw in milde zekerheid de misten door.
Het souper
't Werd stil aan tafel. 't Was of wijn en brood
Werd neergeslagen uit den greep der handen.
De kaarsvlam hing lang-wapperend te branden
En 't raam sprong open door een donkren stoot.
[De dag gaat open als een gouden roos]
De dag gaat open als een gouden roos;
ik sta aan 't raam en zend mijn adem uit,
het veld is stil, en nauwlijks één geluid
breekt naar het koepelblauw bij tusschenpoos.
Zelfmoord des Zeemans
De zeeman
hij hoort de stem der Loreley
hij ziet op zijn horloge
en springt het water in
[De dag schuift vóor den Dag gelijk een lucht vol rozen]
De dag schuift vóor den Dag gelijk een lucht vol rozen.
- Neen, blind uw blikken niet, want gij zult blíjven zien
door 't ijl gordijn van 't uur dat glijdt de prille, brooze
vereeuwiging van wat gij nimmer kent, misschien.
In memoriam mijzelf
Door vijanden omringd,
Door vrienden in den nood
Geschuwd als aas dat stinkt,
Houd ik mij lachend groot,
Het lied der dwaze bijen
Een geur van hoger honing
verbitterde de bloemen,
een geur van hoger honing
verdreef ons uit de woning.
De grijsaard en de jongeling
Grootsch en meesleepend wil ik leven!
hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!
‘ga dan niet ver van huis,
en weer vooral ook het gespuis van vrouwen
Het rad van avontuur
't Noodlot draait zijn wentlend rad;
Rijdt en rolt den aardbol plat,
Bergen op en over holen;
't Rost en jaagt en zwiert en giert,
Awater
Wees hier aanwezig, allereerste geest,
die over wateren van aanvang zweeft.
Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,
het is gelijk de wereld woest en leeg.
Opgang III
De zachte krachten zullen zeker winnen
in 't eind - dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zoo 't zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.
De karavane
In de woestenij der tijden
Trekt de menschheid langzaam verder,
Als de karavane voorthijgt
Door de dorre zandwoestijnen.
Mijmering
'k Heb nooit den glans en 't klatergoud der hoven
Met afgunst in het hart bespied;
Nooit kwam de zucht tot heerschen in mij boven:
'k Misgun den vorst zijn scepter niet:
De tuinman en de dood
Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: ‘Heer, Heer, één oogenblik!
Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.
Avondliedekens III
't Is goed in 't eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan;
Over rustigende vastheid die ik vond
De menschen zijn in getwijfel gevangen,
't gezicht van een god heeft de tijd gebleekt,
nu kom ik ze vertroosten met gezangen
van wat nooit wisselt en in niets ontbreekt.
[Een groot verdriet in 't ernstige profiel]
Een groot verdriet in 't ernstige profiel
Dat neerwaarts kijkt, en machtelooze handen.
Maar als hij riep, dan daverden de landen
En was 't alsof een vuist op aarde viel.
Over het ontwaken mijner ziel.
De volle dagen komen met bedaarde
stappen schrijdend, als hooge witte vrouwen
uit tooversprooken: bloem in handen houen
ze en licht is om hun hoofden, goud-behaarde.
[Ik zat toen heel stil te werken]
Ik zat toen heel stil te werken,
de boeken waren als zerken
voor me, ik wist wel wat
elk graf in zich had.
Ironie
Uit de zwarte kolen
wenkte een vlammenhand
in heur blonde haren
de vlam van diamant.
Vlam
Schuimende morgen
en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
In den nacht
Voor nachts sterreheldere geboden
Buigt der dagen wil -
Zuchten zouden dringen tot de goden:
Al is stil.
Over de grenzen van mijn wezen.
Niet mijn de makkelijke en onbenepen
wellende sprakingen, niet de ongestoorde
gebaren die glijen gelinde door de
ruime atmosfeer: lustig zeilende schepen.
Over het draagvermogen mijner ziel.
Sterkheid van handen kan geen nevel scheuren
en mijne hield ik biddend opgeheven
maar nu heb ik dat alles opgegeven
en voel mij vrij en zal geen hoop verbeuren.
[Die 's nachts romancen floot onder de linden]
Die 's nachts romancen floot onder de linden
En 's middags scherzo's op de markt der dorpen,
Hij heeft zijn fluit in een fontein geworpen,
En wilde een moeielijker wijsheid vinden.
[Mijn hert is als een blomgewas]
Mijn hert is als een blomgewas,
dat, opengaande of toegeloken,
de stralen van de zonne vangt,
of kwijnt en pijnt en hangt gebroken!
Bloemen
De zaden houden menigvuldig
broos leven in besloten graf.
Wie spreekt de bloeme vrij of schuldig,
wier ziel haar viel in dorheid af?
Najaar
Weekblauwe lichtgefloersde dag
Schijnt door het kleurig herfstloof in.
Groote matgouden zonnespin
Weeft vochten hof in glinstrend rag.
Lied van verwachting
De nacht hangt als een stukke lei
om onze hoofden wijl wij staren,
maar niet het fijnste streepje krijt
is zoveel turen komen storen.
Einde
Terzij de horde
nooit gleed een bloemsignaal
tegen de steilte van mijn schemernacht,
waar ik, gewelfd over den rand der ruimte,
[De lente valt dan in een oude stad]
De lente valt dan in een oude stad
een holgebouwde, waar ik lang
was en nu ga ik in verwachten, dat
open is, en ik voel een wrang
De eenzame.
De oogen van de nacht staan voor het raam.
Beneden draven paarden door de straat.
De dingen zijn niet meer dan hunne naam.
Ik ben niet meer dan een ontdaan gelaat.
Gang
Smarten tasten zijn gang.
het vlak is blind
en oogen branden dieper dan het doel
o, grenzen, horizonten en vervloeien.
Over het lijden dat ongewisheid is.
Schemering is het doodgaand en vertrekkend
begeven van dingen die zijn gegleden
mee met den dag, en steunde als vertrouwdheden,
en ware' als scheidingen, wegen behekkend.
Sonnet voor Cynara VII
Zoo straks de dood door deze deur mocht treden,
neerdalen langs de trap of kloppen aan het raam,
mij wenken zou en daarna noemen zou mijn naam
en zei: Volg mij, uw leven is verleden -
Spleen
Laag hangt een groot en toch gering verdriet.
Het leven is wel mooi en ook wel leelijk.
Men kan elkaar liefhebben en ook niet.
'k Neem wat ik vind en wat ik heb, dat deel ik.
Schaduw
Vreugde is zwartgebrand:
asch en omwalming
lijden tot kruis zich spant
uit nachts omarming
[De luchten hangen vol dagen]
De luchten hangen vol dagen, -
de dagen hangen vol smart....
Ik zal te zwak zijn, om te dragen
wat mij de wereld tegen-sart;
Sinds ik het weet...
Sinds ik het weet - ik weet het wel, ofschoon
Nog onder ons angstvallig wordt ontweken,
Het booze woord te noemen, dat bij 't spreken
Licht ruw of wat onzuiver klinkt van toon, -
Koffiehuis
Razend gedwarrel van stemmen, tot één geraas vergroeid.
Hoge klarinetklanken. Saxophoon-geluiden en wat rest
daar tussen: Geweldig koperen orkest.
De buffetjuffrouw dromend. Heimwee of verlangen?
Wacht
Zee, storm en duister
en eeuwigheden breken in den nacht;
mij worde dracht van firmamenten
zeer verzacht.
[Ja, één keer nog je leven overdoen]
Ja, één keer nog je leven overdoen,
En dan op 't toekomst-richtend oogenblik
Nalaten dat gebaar, dat woord, die blik,
Die reis, die brief, die daad, die vraag, die zoen,
[- Ziekte, oude Troosteres, wier woorden wégen]
- Ziekte, oude Troosteres, wier woorden wégen...,
- ‘O Gij, mijn zoon, die duldig leven mag
van 't glooiënd denken aan een verren liefde-lach:
ik zie hoe in uw oog droomen als zwanen zegen.’
Vreugde
Onder de gloedende zoen van mijn levenscheppende vreugde ligt de stad;
vreugde in mij, niet om welke oorzaak ook, maar om zichzelf:
zo is elke grote liefde. Mijn vreugde is een absolute liefde.
Dat weet ik: ik ben een schepper die een warme golf over de stad laat varen.
Energie
'k Sloeg met lichte hand stuk de vaas van tranen
en in de graven verbrandde ik den dood;
ik ging aan het hoofd van de karavanen....
O, alle tranen
In mijn Leven
In mijn leven, steeds uiteengerukt
Door de vlagen waar 'k aan blootsta,
Daar 'k niet kan hechten aan liefde en geluk
Die mij zullen drijven tot ik doodga,