Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren.
- Ik was een kind, en mat het leven aan den lach
[Gij, die ik zoet te slapen leide]
Gij, die ik zoet te slapen leide,
uw adem zoelend aan mijn mond,
- Kind van mijn liefde en van mijn lijden, -
en die 'k, toen 'k plots ontwaakte, wijde
[Wat is het goed aan 't hart van zacht verliefd te zijn]
Wat is het goed aan 't hart van zacht verliefd te zijn,
zijn luimen naar een verre' of naêren lach te meten,
en, te elken avond weêr het kommer-brood gegeten,
weêr blij te mogen rijze' in iedren morgen-schijn,
[Gij wast aan mij gelijk de winde]
Gij wast aan mij gelijk de winde
die wentelt om een koren-aar;
dra zal ik aan mijn wang bevinden
de zoete streeling van uw haar.
[Ik ben met u alleen, o Venus, felle star]
Ik ben met u alleen, o Venus, felle star.
En, waar 'k vergeefs in mij uw stralend gloeien zoeke,
blijft leêg mijn marrend harte, en bar.
Mijn harde mond is strak aan beiden starren hoeke.
[Zegen deze' avond, God: ons handen rusten]
Zegen deze' avond, God: ons handen rusten;
en, kenden onze leden 't kleed der vreemdste lusten
en ons verlangen 't pad van de' ongewoonsten waan:
tháns zijn onze oogen moede als van wie sterven gaan...
[Ten tragen heuvel-flank waar trouwe schaâuwen valen]
Ten tragen heuvel-flank waar trouwe schaâuwen valen
hangt, als een draal'ge schapen-kudde, een waarge smoor.
En 'k voel, bezonke' in mij, 't geslonken dage-dalen,
en schouw in milde zekerheid de misten door.
[Ween aan mijn borst den schat der tranen]
Ween aan mijn borst den schat der tranen
die rijk me maken van uw leed,
ik die van wankelende wanen
als gij het talmend smeeken weet;
[Ik ben u moe]
Ik ben u moe. Gij hebt mijn traagste hoop vermoeid.
Waarom in mijden mond het bittre woord verhelen?
Te laat is me uwe liefde en te aarzelend ontbloeid
'dat nog begeerte ontblake en schrave door mijn kele.
[Ik droom uw droom]
Ik droom uw droom; gij droomt mijn droom. Wij beiden
we zijn alleen door ruimte, alleen door tijd,
we zijn alleen door wrok of vrees gescheiden.
Maar 'k weet dat gij moet lijden, daar ik lijd.
[De dag schuift vóor den Dag gelijk een lucht vol rozen]
De dag schuift vóor den Dag gelijk een lucht vol rozen.
- Neen, blind uw blikken niet, want gij zult blíjven zien
door 't ijl gordijn van 't uur dat glijdt de prille, brooze
vereeuwiging van wat gij nimmer kent, misschien.
[o Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart]
o Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart,
en míj liet leven, en me teeder léerde leven
met uw zacht spreken, en uw streelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;
['k Ben eenzaam-droef, in 't geel-teêr avond-dalen]
'k Ben eenzaam-droef, in 't geel-teêr avond-dalen....
Door 't open venster hoor 'k den donzen val
van klamme bloemen in krystallen schale....
- En 'k weet niet of ik haar beminnen zal,
[Wie weet en zal mijn liefde in u niet dalen, kind]
Wie weet en zal mijn liefde in u niet dalen, kind,
vreemd, kalm, en simpel-teêr als de' avond om de graven....
Want wie, die in gelatenheid zijn tocht begint,
wie weet de vrouw die langs de baan zijn lip zal laven
[Hoe zal mijn woord uw stil bewegen streelen]
Hoe zal mijn woord uw stil bewegen streelen,
mijn torve mond uw zacht-streelende daên?...
- Op de effen lente-Leie zie 'k, blad-weemlend, gaan
't verduisterd even-beeld van roerelooze abeelen
[Gij zijt de goede vrouw ten drempel mijner dood]
Gij zijt de goede vrouw ten drempel mijner dood, -
gij die me uw oogen als een zomer-nacht ontsloot
vol wondre lichten en vol rust'ge duisterheden;
gij die me uw leden als de rijkste herfsten bracht,
[Herinneringen zingen, kind, uw wit gelaat]
Herinneringen zingen, kind, uw wit gelaat,
en 't zoet verhaal van úwe dage' en míjne dagen
die vredig in ons leve' als stille tuinen lagen
in 't teêre licht van late schemering gebaad,
[Thans is het uur dat schaaûwen neigen]
Thans is het uur dat schaaûwen neigen,
en de avond, als een teeder lied,
om huize' en zielen zacht komt zijgen,
en moede durend, stil vervliet
[De luchten hangen vol dagen]
De luchten hangen vol dagen, -
de dagen hangen vol smart....
Ik zal te zwak zijn, om te dragen
wat mij de wereld tegen-sart;
[- Ziekte, oude Troosteres, wier woorden wégen]
- Ziekte, oude Troosteres, wier woorden wégen...,
- ‘O Gij, mijn zoon, die duldig leven mag
van 't glooiënd denken aan een verren liefde-lach:
ik zie hoe in uw oog droomen als zwanen zegen.’
Koorts-deun
't Is triestig dat het regent in den herfst,
dat het moe regent in den herfst, daar buiten.
- En wat de bloemen wégen in den herfst;
- en de óude regen lekend langs de ruiten....