Gij, die ik zoet te slapen leide,
uw adem zoelend aan mijn mond,
- Kind van mijn liefde en van mijn lijden, -
en die 'k, toen 'k plots ontwaakte, wijde
met wakend oog me aanstaren vond:
'k en zal aan u geen sussen wagen,
die schielijk dús den slaap ontwijkt;
de nacht wordt rijker dan de dagen,
want reeds klaart vreugde na de vragen
in 't oog, dat in mijn ooge kijkt.
Want waarom slapen, waar de wake
meer heerlijks dan de droom belooft?...
- Kind van mijn vreeze en van mijn haken:
leg zoet uw kake aan mijne kake,
leg 't hoofdje naast mijn kommer-hoofd...