Er was eens een man
die altijd rechtvaardig was.
Ironie, spot en de speelse kanten van het menselijk bestaan.
Wraak
Ik sta geregistreerd. Geboorte, plaats, tijd.
Ik sta voor zowat één kilo papier:
geboorteakte militie, verhuizen van daar naar hier,
politieke sympathieën, vakbondsaangehorigheid.
Flamingo’s
Flamingo’s op poten zo dun als de ff’s
van mejuffer, of als twee sigarette-
pijpjes waaraan ze zuinig de rook
van zichzelf opzuigen: met dit soort
Olifant
Hij is gemaakt van de grofste effecten,
draagt zijn broek als clown August,
de knieën slodderend, maakt danspasjes
als tante Bertha die een tango de grond
Wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik
Wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik.
Een halsuitsnijding, zei je.
Trek ze eens aan, vroeg ik.
En je trok alles uit: dat is ze
Het was een prachtidee van haar ouders
Het was een prachtidee van haar ouders,
Melinda te verwekken. Aanvankelijk wou
ze dan ook zichzelf gaan studeren.
Psychologie noemt men die wetenschap,
Aangebrand
Aagt Morsebel nam kleinen Piet
In kost, en als het kind, te middag aangezeten,
Haar soms zijn walging merken liet:
De vieze bijsmaak van heur knoeisels werd geweten,
Recepten voor navolging: In den trant van Hooft
- ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ -
⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ -
Titel: Sanghetjen. - Liedeken. - ***. -
Aa. ee. oo. aa. oo. ee. ee. aa. oo.
Mop en Mopje
Toen onze mop een mopje was
Was 't aardig om te zien;
Nu bromt hij alle dagen
En bijt nog buitendien.
Wat niet is uit te staan
Geur van ingemaakte kropsla;
Rijmend proza; slappe thee;
Vorken met een haringsmaakje
Op een uitgezocht diner;
Sonnet van burgerdeugd
De trammen tuimlen door de lange straten,
al 't leven buiten en de ramen dicht,
wat thee voor ons en de avond te verpraten,
de lamp streelt rustig ons voornaam gezicht.
De jonkheer
Als hij in zicht komt van de vijver
loert hij terluiks eens naar de zwaan
en zet zijn opgezwollen krop wat stijver
om naar het bosprieel te gaan.
Huldegedicht aan Singer
Slinger
Singer
naaimasjien
Hoort
De bierpiraat
Hij dreef op alle bieren en ging prat
dat drank hem nooit een beentje had gelicht,
en overdreef niet: meer dan ieder vat
kon hij bevatten - 't was zijn overwicht.
Berceuse presque nègre
De sjimpansee doet niet mee
Waarom doet de sjimpansee niet mee
De sjimpansee
is
Twee filmsirenen
Fatale fletsheid die met klamme geuren
het witte zeil in iedre stand doorhangt,
maar super-kappers in je netten vangt,
te overvloedig om het te betreuren -
[Gods wijze liefde had ’t heelal geschapen]
Gods wijze liefde had 't heelal geschapen:
vol lente, net als de appelbomen bloeien;
weldadig-groen liet voor het vee Hij groeien
het gras, voor ons doperwtjes en knolrapen,
Zo’n teer jong meisje!
Zo’n teer jong meisje! Ja, zo lief bedeesd,
zo kind! En dubbel grac’lijk, want ze is blond.
Ze houdt – zegt moeder – ook haar geest gezond,
omdat ze op haar raad goede boeken leest.
Alpejagerslied
Een heer die de straat afdaalt
een heer die de straat opklimt
twee heren die dalen en klimmen
dat is de ene heer daalt
Ons nationaal drinklied
Wij drinken hier niet van verdriet,
Nog minder van plezier;
Toch drinken wij, zoals gij ziet:
Er is niet anders hier!
Wandspreuken voor de restauraties en drankwinkels der fancy fair van de vakantie-kolonies
Biedt men mij bier en water aan -
Ik laat het schuimend bierglas staan
En neem voor mijn...
Den wijn!
Rijmelarij
Zoo veel
Het filomeelgekweel
Verschilt van 't schorre meeuwgeschreeuw
En 't rauw gekras
Boerke Naas
Wie heeft er ooit het lied gehoord,
het lied van Boerke Naas?
't En ha', 't is waar, geen leeuwenhert,
maar toch, 't en was niet dwaas.
Hondenmijmering
Sakkerloot! hoe jeukt mijn maag!
In geen zes kwartier gegeten.
Schrale tijden. Vlooienbeten.
Kwade jongens. Beestenplaag.
Ode aan Robinson Crusoe
Gelukkig, ô mijn Robinson!
Die, van uw golf gedragen,
Zich op uw eiland redden kon
Uit deze “laatste dagen!”
Captatio
Poëten worden oud, de goede met de kwade;
De middelmatige met mij;
Dit hebben zij gemeen, veel tot hun eigen schade:
Zoo lang zij leven, dichten zij.
De Rijmelaar
Hij is een klankenkluis, een lettergrepenteller,
Een taalmans ongerief, een knullig woordbekneller,
Een nagelbijtig beest, een pennezuigend dier,
Een onzinmakelaar, een vorst van scheurpapier,
Coupletten uit het Graf
'k Lig in mijn graf, melieve,
Zoo eenzaam en zoo koud.
Och, mogt ik maar op aarde
Met UE. zijn getrouwd.
Nieuwerwetsche manier van dichten
Een klinkdicht, ja! dat wil ik eens probeeren...
Het is een sjouw, zoo viermaal 't zelfde rijm!
En dat nog wel op dat ellendige ijm;
Maar 'k heb den tijd, en 'k wil en zal het leeren.
Boutade
O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,
Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,
Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen!
Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp
Een spreker die maar niet uit de war kwam
Jeroen wou zeggen: 'buitensporig',
Maar 'borenspuitig' kwam er uit.
Een poging, om 't weer goed te maken,
Had 'sporenbuitig' tot besluit.
Immortelle I
De maan glijdt langs de ruiten
En blikt mij vragend aan.
‘Wat moet dat, bleeke zanger, -
In uw ooghoek glinstert een traan?’
Immortelle III
Waarom ik de loome nachten
Met wrange tranen bedauw? -
Ik weet niet wat ik liever deed,
Dan dat ik het zeggen zou.
Oefenplaats
Hij is alweer gegroeid, de koning,
zijn achterkant, die van zijn Paard,
willen de bleke zon onttronen,
de kellners lachen om zijn baard.
Immortelle XVI
Zijn goudblonde lokken en knevel,
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergietmijnietblik, zijn tenorstem
En zijn New-Foundlandsche hond.
Jonge lente
In de jonge Lente, -
ach, hoe dwaas,
'k ben mezelf niet meer baas, -
in de jonge Lente
Immortelle XXV
Hoor ik op Sempre een waldhoorn,
Of ook wel een Turksche trom,
Dan moet ik zoo bitter weenen;
En - ik weet zelf niet waarom.
De ouwedame
Het lichaam van de ouwedame
heeft zwaar gesteund in 't ledikant,
want zij was uitgetreden
en lag in 't ledikant,
Immortelle XXXIII
Mijn hart was toegevroren,
Mijn tranen vloeiden niet meer.
Toen trof mij haar gloeiende blikstraal,
En de wateren ruischten weer.
De zieke man
Nadat de zieke man,
zowat vier jaren door,
door iedereen was verwend geweest,
door iedereen zacht behandeld
Immortelle XLIX
Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
‘De stoep is weer nat.’ Och, hij wist niet
Dat er 's nachts op die stoep was geschreid.
De mama
Het meisje dat mij goed wou maken is verloofd,
en haar verloofde een méér dan nette jongen,
maar de mama weet wat een zoen kan doen.
Pas op! daar komt veel niet te pas,
Immortelle LXXXIV
O, spreek mij niet van liefde,
Van vriendschap en van trouw;
Die zijn al sinds lang overleden,
'k Ben lang er al van in den rouw.
Kroniek
De grootste leugenbaas van 't land
heeft niets meer in zijn kraam.
De kindren fluiten hand in hand
voor het beslagen raam.
Immortelle XCVI
Als ik een bidder zie loopen,
Dan slaat mij 't hart zoo blij.
Dan denk ik hoe hij ook weldra
Uit bidden zal gaan voor mij.