Zoo veel
Het filomeelgekweel
Verschilt van 't schorre meeuwgeschreeuw
En 't rauw gekras
Rijmelarij
R
Zoo veel
Het filomeelgekweel
Verschilt van 't schorre meeuwgeschreeuw
En 't rauw gekras
‘De moerbeitoppen ruischten;’
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
Poëten worden oud, de goede met de kwade;
De middelmatige met mij;
Dit hebben zij gemeen, veel tot hun eigen schade:
Zoo lang zij leven, dichten zij.