Poëten worden oud, de goede met de kwade;
De middelmatige met mij;
Dit hebben zij gemeen, veel tot hun eigen schade:
Zoo lang zij leven, dichten zij.
Vergeef het, die hen leest en in hun beste jaren
Hen liefhadt! 't Is een zwak, en ik erken 't als gij;
Maar zwakheên zijn er veel bij grijze en schaarsche haren,
En deze hoort er bij.
Ao Aet. lxxix.