Mooi meisje, dat met koelwit bruidsgewaad
Verlangt te ontveinzen de heetdonkre gloed,
Die onbewust haar slankheid stralen doet
En uit de glans van 't haar en de oogen slaat,
[’k Zat, jong, graag in mijn pereboom te deinen]
'K zat, jong, graag in mijn pereboom te deinen:
In de afgeknotte top had ik een plank
Getimmerd, en gevlochten, rank door rank,
Klimop tot rugleun en veil'ge gordijnen.
[’k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.]
'K ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een'ge, dat ik kan:
'K gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;
Maar 'k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.
[’t Is eind augustus, zondag. - Blauwig waas]
'T is eind Augustus, Zondag. - Blauwig waas
Om verre dennen in laat middaguur;
Naar 't glooiend stoppelveld, vol sprietjes vuur,
Uit stofwolkjes van grindweg loopt een haas.
Violenbed
Het heele perk was vol: je zag geen zand.
De paarsen leken ernstige oude heertjes,
De bruinen glanzend-moll'ge, goed'ge beertjes,
De gelen pluimen van een goudfazant;
[Gods wijze liefde had ’t heelal geschapen]
Gods wijze liefde had 't heelal geschapen:
vol lente, net als de appelbomen bloeien;
weldadig-groen liet voor het vee Hij groeien
het gras, voor ons doperwtjes en knolrapen,
Gemakk’lijk lig ik in mijn leuningstoel
Gemakk'lijk lig ik in mijn leuningstoel
naast 't rode pluche van zonnig tafelkleed;
Plancks quantenleer zou 'k lezen, maar 'k vergeet
van mijn hier-zijn 't hoogst wetenschapp'lijk doel:
[Ik sprak enthousiast over ’t Parthenon]
Ik sprak enthousiast over ‘t Parthenon,
hoe ‘t op verende berg zweefde, als een blank
snaarinstrument, dat door zijn zuilen, rank,
de wereldlucht tot aan de horizon
Zo’n teer jong meisje!
Zo’n teer jong meisje! Ja, zo lief bedeesd,
zo kind! En dubbel grac’lijk, want ze is blond.
Ze houdt – zegt moeder – ook haar geest gezond,
omdat ze op haar raad goede boeken leest.
[Door kelken van onwezenlijk kristal]
Door kelken van onwezenlijk kristal
Schijnt de ondergrond van tragisch-paars fluweel.
Onzichtbaar is de lamp; langs ied're steel
Hangt, smal en stil, een zonn'ge waterval.
['k Maak in gedachten vaak een bedevaart]
'K maak in gedachten vaak een bedevaart:
Dan sta 'k weer op de plek, die zomerdag,
Waar ik door de eikenlaan je komen zag;
Als reliquie heb ik dat beeld bewaard:
[Dof violet is 't west en paarsig grijs.]
Dof violet is 't west en paarsig grijs.
Nog wandel 'k door het zwaar berijpte gras,
En hoor naast me op de vaart het fijn gekras
Van schaatsen over 't hol rinkelend ijs:
['k Weet nog, hoe 'k vaak tegen mijn liefde zei]
'K weet nog, hoe 'k vaak tegen mijn liefde zei:
Toe, kindje, wees eens stil! Je bent zoo druk:
Jouw zonn'ge woorden vlind'ren 't spinsel stuk,
Dat Yâjnawalkya's mijm'ren om me lei.
[Nu zàl er stilte zijn, mijn leven lang]
Nu zàl er stilte zijn, mijn leven lang;
De tijd zal, voorzichtig, zijn vlucht vertragen,
Dat niet zijn ijlste suizen mocht verjagen,
Wat dwaas ik koos boven haar sprookjeszang:
[Blond kindje speelt piano. Plechtig staan]
Blond kindje speelt piano. Plechtig staan,
Als was 't een kerk, twee kaarsen. 'T is, als ragt
'T verleden blauw nevelend op, en tracht
Naar lichte kring van 't Nu terug te gaan.
[Beweeglijk bloemperk op stil blauw kanaal]
Beweeglijk bloemperk op stil blauw kanaal,
Flikkeren, fel, hupp'lende zonnestippen,
Soms plotselinge lisch met gouden slippen,
Soms gouden pijlkruid, plots'ling vertikaal:
['k Zie nu al hoe 'k, als jij gestorven bent]
'K zie nu al hoe 'k, als jij gestorven bent,
Zal zitten, kijkend naar je stil gezicht;
Wel vol verleden, toch pijnlijk verlicht,
Dat jij ten minste geen verdriet meer kent.
[Ja, één keer nog je leven overdoen]
Ja, één keer nog je leven overdoen,
En dan op 't toekomst-richtend oogenblik
Nalaten dat gebaar, dat woord, die blik,
Die reis, die brief, die daad, die vraag, die zoen,
[Nu slaapt ze in Brahman, veilig voor altijd]
Nu slaapt ze in Brahman, veilig voor altijd;
En 'k weet dat, blij, haar mijn terugkomst vindt,
Als eens de dood, Bronwaarts stormende wind,
Mijn ziel, een droppel God, voor goed bevrijdt