'K weet nog, hoe 'k vaak tegen mijn liefde zei:
Toe, kindje, wees eens stil! Je bent zoo druk:
Jouw zonn'ge woorden vlind'ren 't spinsel stuk,
Dat Yâjnawalkya's mijm'ren om me lei.
Jij bent mijn jeugd, mijn levend sprookje, jij
Mijn morgenster, mijn eenig aardsch geluk;
Maar kromgeboeid lig 'k onder lange druk
Van menschenleed: wie Brahman kent, is vrij.
En als 'k op sneeuwige kometen neer-
duizel, de helling af van parabool,
Of, fonk'lend, met Orion defileer
Langs macht'ge onzichtbaarheid van stille pool,
Dan raken we uit de baan door al jouw praten,
Èn tijd vergetend, èn coordinaten.