In de jonge Lente, -
ach, hoe dwaas,
'k ben mezelf niet meer baas, -
in de jonge Lente
hebben twee jodinnetjes,
twee trouwe vriendinnetjes,
mijn hart verleid
en tot een kort geluk geleid.
Nu dwaal ik zonder centen, -
wij zijn ook in de jonge Lente! -
alleen langsheen de grote straten,
mijn portemonnaie is gans verlaten,
gelijk de schatkist van de edele Staten
op verkiezingen-plakkaten.
Terwijl ik zó langs de straten dwaal,
heb ik mijn heel kapitaal, -
ach, welk een pret, -
in de hemelse dauw gezet
in de hoop dat hij, in de jonge Lente,
me bezorgen mag talrijke renten,
zwaar door de grote percenten.