De maan glijdt langs de ruiten
En blikt mij vragend aan.
‘Wat moet dat, bleeke zanger, -
In uw ooghoek glinstert een traan?’
Immortelle III
Waarom ik de loome nachten
Met wrange tranen bedauw? -
Ik weet niet wat ik liever deed,
Dan dat ik het zeggen zou.
Immortelle IX
Op 't hoekje van de Hooigracht
En van den Nieuwen Rijn,
Daar zwoer hij dat hij zijn leven lang
Mijn boezemvriend zou zijn.
Immortelle XVI
Zijn goudblonde lokken en knevel,
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergietmijnietblik, zijn tenorstem
En zijn New-Foundlandsche hond.
Immortelle XXV
Hoor ik op Sempre een waldhoorn,
Of ook wel een Turksche trom,
Dan moet ik zoo bitter weenen;
En - ik weet zelf niet waarom.
Immortelle XXXIII
Mijn hart was toegevroren,
Mijn tranen vloeiden niet meer.
Toen trof mij haar gloeiende blikstraal,
En de wateren ruischten weer.
Immortelle XLIX
Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
‘De stoep is weer nat.’ Och, hij wist niet
Dat er 's nachts op die stoep was geschreid.
Immortelle LXXXIII
Hem die mij grof beleedigt,
Mij overlaadt met schand
En openlijk mij belastert,
Hem reik ik de broederhand.
Immortelle LXXXIV
O, spreek mij niet van liefde,
Van vriendschap en van trouw;
Die zijn al sinds lang overleden,
'k Ben lang er al van in den rouw.
Immortelle XCVI
Als ik een bidder zie loopen,
Dan slaat mij 't hart zoo blij.
Dan denk ik hoe hij ook weldra
Uit bidden zal gaan voor mij.