De stilte zwelt uit de ingeslapen nacht
en zuigt ons gans en onweerstaanbaar binnen.
Een hoornstoot gilde alsof een wilde jacht,
losbarstend als een onweer, zou beginnen -
Sonnet van burgerdeugd
De trammen tuimlen door de lange straten,
al 't leven buiten en de ramen dicht,
wat thee voor ons en de avond te verpraten,
de lamp streelt rustig ons voornaam gezicht.
P.P.C.
Vaarwel, Clary. Ik wens u geen geluk.
Zoiets klinkt dom, bij hen reeds die het menen.
Gij hebt u goed verkocht. Maak u niet druk
over de rest: want àlle mensen wenen.
De bierpiraat
Hij dreef op alle bieren en ging prat
dat drank hem nooit een beentje had gelicht,
en overdreef niet: meer dan ieder vat
kon hij bevatten - 't was zijn overwicht.
Twee filmsirenen
Fatale fletsheid die met klamme geuren
het witte zeil in iedre stand doorhangt,
maar super-kappers in je netten vangt,
te overvloedig om het te betreuren -
De vooruitgang
Zij komen los en niets zal hen weerstreven:
van de paleizen kraait hun rode haan,
uit alle krotten bloeit een rode vaan,
de burgers smelten en de goden beven!
Wandeling zonder maan
De grote mensen zijn naar bed gegaan.
Mijn lieve kind, wij zouden kunnen lopen
om 't huis, door 't donker, maar het hek staat open,
de straat op, onder een lantaren blijven staan.
Het kind dat wij waren
Wij leven 't heerlijkst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.
Modern toerisme
De reizen van heer Jurriaan
zijn opgerold en nooit verstaan,
wij moeten nieuwe vrezen leren.
Wie staat van de ene op de andere voet,
De paladijnen
Wij hebben de ganse dag stof geslikt
en zijn met hoofdpijn naar bed gegaan.
Wij hebben cichorei gedronken
met beurtelings muscus en jodoform,
Oefenplaats
Hij is alweer gegroeid, de koning,
zijn achterkant, die van zijn Paard,
willen de bleke zon onttronen,
de kellners lachen om zijn baard.
Reisverhaal
Clary, daar waren eens twee erg-jonge mannen:
de een was eerder klein, de ander eerder groot;
de ander sprak dikwijls over de dood,
de een bleef onbewust wat eeuwigheid verlangen.
Lied van verwachting
De nacht hangt als een stukke lei
om onze hoofden wijl wij staren,
maar niet het fijnste streepje krijt
is zoveel turen komen storen.
De ouwedame
Het lichaam van de ouwedame
heeft zwaar gesteund in 't ledikant,
want zij was uitgetreden
en lag in 't ledikant,
De zieke man
Nadat de zieke man,
zowat vier jaren door,
door iedereen was verwend geweest,
door iedereen zacht behandeld
De nieuwe moord van Raamsdonk
Men had de man vermoord, hij was
bezitter van een hoeve.
En toen zijn jonge vrouw vermoord,
die hulp had willen roepen.
De mama
Het meisje dat mij goed wou maken is verloofd,
en haar verloofde een méér dan nette jongen,
maar de mama weet wat een zoen kan doen.
Pas op! daar komt veel niet te pas,
Kroniek
De grootste leugenbaas van 't land
heeft niets meer in zijn kraam.
De kindren fluiten hand in hand
voor het beslagen raam.