Een bloemlezing van gedichten uit de wereld

Ode aan Robinson Crusoe

O

Gelukkig, ô mijn Robinson!
Die, van uw golf gedragen,
Zich op uw eiland redden kon
Uit deze “laatste dagen!”

Een geitevel voor laken frak
Gehangen om de leden;
Slechts bloemengeuren voor tabak,
Voor stad en park een Eden;

Geen bengelklok, geen stoomgegil,
Noch denderende wagen,
Noch raderen, die, nimmer stil,
In arbeidsholen jagen;

Saletgeklap noch societeit,
Noch badstraf van zes weken;
Zelfs geen moderne geestigheid
Noch orthodoxe preeken;

Geen Nut of Nanut, waar een bloed
Een reeks van woorden stamer’;
Geen kiezersvolk, geen bladenvloed,
ô Goôn! geen Tweede Kamer!

Gewis, hij waar’ een Zondagskind
En tot geluk geboren,
Die ’t ruischen slechts van zee en wind
Voor zijn concert mocht hooren,

Dien ’t murm’len van een dart’len vliet,
’t Gevogelte in de boomen,
Mocht wieglen met een sluimerlied
In ongestoorde droomen!

En zoo soms druksels in het zand
Van wilden hem verhalen...
Wij duchten aan ons Noordzeestrand
Wel and’re kanibalen.