Scheef is de poorte, van
oudheid, geweken;
zaâlrugde 't dak van
de schure; overal
['k Hoore tuitend' hoornen en]
'k Hoore tuitend' hoornen en
de navond is nabij
voor mij:
kinderen, blij en blonde, komt,
Boerke Naas
Wie heeft er ooit het lied gehoord,
het lied van Boerke Naas?
't En ha', 't is waar, geen leeuwenhert,
maar toch, 't en was niet dwaas.
Het schrijverke
O krinklende winklende waterding,
met 't zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op 't waterke gaan!
O 't ruischen van het ranke riet
O! 't ruischen van het ranke riet!
o wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
Dien avond en die rooze
'k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
Moederken
't En is van u
hiernederwaard,
geschilderd of
geschreven,
Ego flos...
Ik ben een blomme
en bloeie vóór uw oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
O dichtergeest
O Dichtergeest, van wat al banden
hebt gij mij, armen knecht, verlost,
en, uit uw' handen,
wat heeft uw dierste gunst mij weinig werks gekost!
Tot de zonne
Zonne, als 'k in mijn groene blaren
en vol waterpeerlen sta
en dat gij komt uitgevaren,
schouwt mijn bloeiend herte u na.
[De Vlaamsche tale is wonder zoet]
De vlaamsche tale is wonder zoet,
voor die heur geen geweld en doet,
maar rusten laat in 't herte, alwaar,
ze onmondig leefde en sliep te gaar,
[Mijn hert is als een blomgewas]
Mijn hert is als een blomgewas,
dat, opengaande of toegeloken,
de stralen van de zonne vangt,
of kwijnt en pijnt en hangt gebroken!
[Het leven is een' krijgsbanier]
Het leven is een' krijgsbanier,
door goede en kwade dagen,
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaards dragen.
Wintermuggen
De wintermuggen zijn
aan 't dansen, ommentomme,
zoo wit als muldersmeel,
zoo wit als molkenblomme.
Tranen
't Is nevelkoud,
en, 's halfvoornoens, nog
duister in de lanen;
de boomen, die 'k
Octoberboomen
Hoe schoone, och, hoe veel schoonder is,
al moete 't nu gaan sterven
eer langen tijd van hier, hoe schoon,
en schoonder duizendwerven,
O lied
O Lied! o Lied,
gij helpt de smert
wanneer de rampen raken,
gij kunt, o Lied, de wonde in 't hert,
Meidag
De kerzelaar zijn trouwgewaad
heeft aangedaan:
vandage moet hij, meidag is 't,
ter bruiloft gaan.