Biedt men mij bier en water aan -
Ik laat het schuimend bierglas staan
En neem voor mijn...
Den wijn!
Drinkt, broeders! Doet elkaar bescheid!
Na vijftig jaar (het dient gezeid)
Prijst niemant meer uw matigheid
Drinkt van vandaag tot morgen:
Zoo wijken al uw zorgen.
Daar is geen beter medicijn
Dan druivenbloed en garstewijn.
Een les die ons de Zondvloed biedt:
De waterdrinkers deugen niet
Een leêge kop, een vat niet vol,
Een ledig hart - wat klinkt dat hol!
Het grootst verdriet en ongemak
Wijkt voor een glas cognac.
Geef elk conscrit een glaasjen krok,
En steek den brand in hok en stok.
Daar 's niets zoo overtuigend, baasjen,
Als 't vierde, vijfde en zesde glaasjen
Die vreugde zoekt in 't druiven sop
Heeft steeds een luchtig mutsjen op.
Die zingt en drinkt en toosten slaat
Spreekt van zijn naasten buur geen kwaad.
't Is menschlijk den honger te stillen met brooden;
Te drinken, dat kwam van de goden
Drink flink