Zegen deze' avond, God: ons handen rusten;
en, kenden onze leden 't kleed der vreemdste lusten
en ons verlangen 't pad van de' ongewoonsten waan:
tháns zijn onze oogen moede als van wie sterven gaan...
- Stil-wegend staat Uw leve' op de onbewogen blaên;
om iedren boom-gaard gaat de vrede van Uwe oogen;
en wij, die elke vrucht in onze handen wogen
en láchten, zijn als vreemdelingen, die gebogen
onder Uw vrede en 't leven Uwer oogen staan...
Zegen deze' avond, God... In iedre voren
laat het gebaar van Uw meêdoogen rústig zaad;
uit Uwe liefde is kalm een rozen-meer geboren;
Uwe genade laat de zon meewarig gloren;
en in mijne oogen brandt de vreê van Uw gelaat...
- En wij zijn treurig, God, al liet Ge dalen
om de oude plooiën van ons wegend drift-gewaad,
zoeter dan ooit een liefde om ons haar teêrheid laat,
de teêre goedheid van Uw warende avond-stralen...
Zegen deze' avond; zégen, God. Wij zullen zwíjgen.
- Gelaten en verzoend in de avond-zoete dood,
zal onze torve zin naar Uwen boezem zijgen
gelijk een slaap-zwaar kind ten zaal'gen moeder-schoot.
Zegen... Uw rust zweeft, zeegnend, om gebogen twijgen
die wiegen, naar de slaap der vooglen aedmend gaat.
Zegen... De zuivre nacht zal om ons leven stijgen,
en U-waarts de eenzaamheid van onze dagen neigen,
als naar een dag van weelde een rust'ge dageraad.