Ween aan mijn borst den schat der tranen
die rijk me maken van uw leed,
ik die van wankelende wanen
als gij het talmend smeeken weet;
ik die, mijn kind, op andren schouder
om eendre vreeze heb geschreid,
maar van elke onmacht oud en ouder,
weêr om een nieuwe hope lijd;
ik die het goud van alle transen
voor de asch van oude zonnen ken,
maar van elk glorend morgen-glanzen
de huiverende minnaar ben...
Ween uwe tranen, lange en lijze,
die van uw lijden rijk me maakt:
straks ziet ge in 't oog des levens-wijzen
hoe steéds de wanen-lampe waakt...