- Ziekte, oude Troosteres, wier woorden wégen...,
- ‘O Gij, mijn zoon, die duldig leven mag
van 't glooiënd denken aan een verren liefde-lach:
ik zie hoe in uw oog droomen als zwanen zegen.’
- Ja, ik ben goéd. Maar 'k wilde vrédig zijn....
- ‘Mijn leéuwrik! Gij, die door de nachten heen-gedrongen,
de vreugd van de eenig-eeuw'ge zonne hebt gezongen,
draagt ge de rúst niet meer van de' een'gen zonne-schijn?’
- Maar ik ben moé: 'k wou in uw woorden slápen....
- ‘Mijn loome bloem in avond-water; o mijn kind;...
ik zal u sussen; gij zult rusten; gij zúlt slapen,
gij, die de Liefde draagt die niemand heeft bemind.’