De boomen dorren in het laat seizoen,
En wachten roerloos den nabijen winter.
Wat is dat alles stil, doodstil.... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.
XXXVII. [Geen enkel, die mijn Zelf ooit had]
Geen enkel, die mijn Zelf ooit had, -
Geen ander, wien ik 't af kon prachen,
Daar die geen Zelf, zóó schoon bezat:
Zij waren allen mak en mat -
LXI. [Ik ween om bloemen in den knop gebroken]
Ik ween om bloemen in den knop gebroken
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde, die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan,
Rozen, ik vind u droef
Rozen, ik vind u droef,
Rozen, mijn tranen breken
Uit oogen, die anders stroef
En onverbreeklijk keken.
[De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining]
De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend Schoon en kent zich-zelve niet.
[Ik denk altoos aan u, als aan die droomen]
Ik denk altoos aan u, als aan die droomen,
Waarin, een ganschen, langen zaalgen nacht,
Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht,
Zóó onuitspreek'lijk lief, dat bij het doomen
[Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht]
Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,
[Ik droomde van een kálmen, bláuwen nacht]
Ik droomde van een kálmen, bláuwen nacht:
De matte maan lag laag in mistig glimmen -
Maar hóóg scheen van de schemerende kimmen
Der klare starren wolkenlooze wacht.
[Zij hoorde 't twisten en den doffen smak]
Zij hoorde 't twisten en den doffen smak -
Zij kwám niet - zág niet - zag in mijmering
Altijd die ééne plek, waar de appel hing,
En de' appel zelven aan dien zelfden tak.
[Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten]
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, -
[Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht]
Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
De witte bloesems in de scheemring - ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele, al te late vogel vliedt.
[Ik wijd aan U dees verzen, zwaar geslagen]
Ik wijd aan U dees verzen, zwaar geslagen
Van Passie, en Verdoemenis, en Trots,
In doods-bleek marmer of dooraderd rots,
Al naar mijn kunstnaars-wil en welbehagen.
[Gij, Die mij de eerste waart in 't ver Verleên]
Gij, Die mij de eerste waart in 't ver Verleên,
Toen alles was één schoone somberheid,
Gij zult mij de allerlaatste zijn. Ik wijd
Dit stervend hart U, met mijn laatste beên.
[O gij, die mij, toen alles mij verliet]
O gij, die mij, toen alles mij verliet,
En ééne somberheid dees ziel omving,
Die langzaam stervende in haar laatst verdriet,
Tè zwak was voor de laatste worsteling, -
[O, lichte Visioenen mijner Jeugd!]
- O, lichte Visioenen mijner Jeugd!
Al, àl te dierbare herinneringen,
Toen 'k dorst met stamelenden mond te zingen
De groote droomen mijner zienersvreugd.