Geen enkel, die mijn Zelf ooit had, -
Geen ander, wien ik 't af kon prachen,
Daar die geen Zelf, zóó schoon bezat:
Zij waren allen mak en mat -
Geen mensch die schreien kon of lachen.
De menschen lachen en schreien niet:
Zij dóen maar zoo, en 'k voel hun handlen,
Hun druktetjens om niet of iet,
Als-of zij, in een vaag verschiet,
Als klein-gelijfde popjes wandlen.