We liepen samen dikwijls langs de stranden
Als 't avond werd. Dan zong ze naast de zee -
Ik, kleine jongen, die haar stem zoo kende,
Ik hield haar hand en zong de liedjes mee.
Het kind en ik
Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.
De wolken
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.
Het meisje
Wanneer je ontwaakt, zie je den morgen bleeken,
De klokken luiden dat de dag begint.
De tuin geurt zoel van gras en vochtig grint,
Ruischend omhoog de hooge boomen steken.
De jongen
Hij zat in nachtgoed voor het raam en liet
Willoos het hoofd hangen op het kozijn -
Hij zag den landweg langs de heuvels zijn
Kronkel wegtrekken naar het blauw verschiet.
Het bruidje
Zusters, wanneer uw kleine zuster trouwt,
Windt om haar kruin een krans van marjolijn,
Zorgt dat de oranjebloesem huiv'rend zijn
Tranen van vreugde langs haar schouders dauwt.
Het oude huis
De kamers waren donkerder geworden,
Maar geen ding van zijn eigen plaats gezet,
En aan den wand, tusschen de blauwe borden,
Hing in ovalen lijstje het portret.
Het souper
't Werd stil aan tafel. 't Was of wijn en brood
Werd neergeslagen uit den greep der handen.
De kaarsvlam hing lang-wapperend te branden
En 't raam sprong open door een donkren stoot.
Con sordino
Zij zei tot mij: ‘Je bent een prins in bed’.
IJsbloemen waren op het raam gesproeid.
Ons lichaam, tot ontbinding toe vermoeid,
Was tusschen koele lakens in-gebed.
Het tuinfeest
De Juni-avond opent een hoog licht
Boven den vijver, maar rond om de helle
Lamp-lichte tafel in het grasveld zwellen
De boomen langzaam hun groen donker dicht.
Het steenen kindje
Buiten de herberg waar we bleven
In 't oude stadje aan den Rijn
Begon des nachts muziek te beven.
Wij zetten ons, achter 't gordijn,
Impasse
Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.
De moeder de vrouw
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
Aan mijn kind I, II, III
Wanneer je begeeren zult
De pijn van het bloed,
Wanneer je leeren zult
Wat het leven doet -
Het lied der dwaze bijen
Een geur van hoger honing
verbitterde de bloemen,
een geur van hoger honing
verdreef ons uit de woning.
Kleine prélude van Ravel
Langs de twee coniferen naar
Het smalle rozenboompje, was
Met kamerschermen een boudoir
Geïmproviseerd op het gras.
Awater
Wees hier aanwezig, allereerste geest,
die over wateren van aanvang zweeft.
Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,
het is gelijk de wereld woest en leeg.
[Een groot verdriet in 't ernstige profiel]
Een groot verdriet in 't ernstige profiel
Dat neerwaarts kijkt, en machtelooze handen.
Maar als hij riep, dan daverden de landen
En was 't alsof een vuist op aarde viel.
[De keien zijn zoo puntig op de straten]
De keien zijn zoo puntig op de straten.
Blonde soldaten, doen je voeten pijn,
Smoor je verdriet met een naief refrein:
‘Marie, Marie, ik moet je gaan verlaten’.
[Met blauw-papieren pijlen op mijn wangen]
Met blauw-papieren pijlen op mijn wangen
En op mijn hoofd een gele ster geplakt,
Blijf ik, terwijl een aap mijn handen pakt,
Onderste-boven aan een rekstok hangen.
[Die 's nachts romancen floot onder de linden]
Die 's nachts romancen floot onder de linden
En 's middags scherzo's op de markt der dorpen,
Hij heeft zijn fluit in een fontein geworpen,
En wilde een moeielijker wijsheid vinden.
[Het wordt stil in den tuin, als mijn guitaar]
Het wordt stil in den tuin, als mijn guitaar
De melodie lacht van haar zoeten naam,
En zingend heft zich mijn extase, waar
Zij zich tusschen de bloemen neigt voor 't raam.
[Claudien, jij speelt piano, en ik zit]
Claudien, jij speelt piano, en ik zit
In de warande, en luister naar het zingen
Uit het innige hart der stille dingen,
En luister naar de stem der nacht die bidt -
De eenzame.
De oogen van de nacht staan voor het raam.
Beneden draven paarden door de straat.
De dingen zijn niet meer dan hunne naam.
Ik ben niet meer dan een ontdaan gelaat.
Tempo di menuetto.
De volle weelde van een melodie
Breekt uit het hart van de piano open.
Ik zie je bleeke stille handen, die
Over de witte en zwarte toetsen loopen.
[Als ik de groene luiken open zet]
Als ik de groene luiken open zet,
Zie ik de bloemen om het raam heen trillen
Druipend van morgen-zonlicht, dat zijn killen
Vochtigen adem waait door mijn gebed.
['t Is Juni, en de vijver in 't plantsoen]
't Is Juni, en de vijver in 't plantsoen
Ademt over het gras zijn blauwe droomen.
De jonge twijgen huivren in de boomen,
Water en hemel zijn van weerschijn groen.