Zusters, wanneer uw kleine zuster trouwt,
Windt om haar kruin een krans van marjolijn,
Zorgt dat de oranjebloesem huiv'rend zijn
Tranen van vreugde langs haar schouders dauwt.
Ziet, achter haar ligt het eenvoudige huis
Tusschen bloemperken op een groenen heuvel:
Ziet in de kamer de gedekte tafel
En boven 't witte bed het houten kruis.
Dé dag is windeloos en beeft omhoog
Bij gindschen wijnberg waar de bruiloft danst -
Zij blijft stil op den voorgrond, maar er glanst
Een blank licht luist'rend in haar vochtige oog.
Want levens overvloed heeft tot den dood
Haar hart ontroerd. Nu gaan de bloesems vallen,
En haar onzegb're weemoed vouwt de smalle
Handen op het geheim van haren schoot.