DIEN morgen was zij moe en zwaar
en talmende opgestaan
en had met achteloos besef
haar dagelijksch doen gedaan.
[De lucht was als een perzik]
De lucht was als een perzik,
de maan een diamant,
zwellende lentenevels
bloeiden aan alle kant.
[Vreemd, dat een zelfde huis bevat ons beiden]
VREEMD, dat een zelfde huis bevat ons beiden
en toch, wij durven ons niet af te scheiden,
wij durven niet alleen zijn, niet te spreken
dan lippen bevend, die niet open breken,
[Waar op de plecht, gekarteld uit het hout]
WAAR op de plecht, gekarteld uit het hout
het zwart verweerde, van de offerschaal
de wijn geplengd wordt en een purperregen
zijgt in de blauwte van het watervlak
Uit de Rubaijat 10
De wereld gaat en gaat, als lang na dezen
mijn roem verging, mijn kennis hooggeprezen.
Wij werden vóór ons komen niet gemist,
na ons vertrek zal het niet anders wezen.
[Laat de luiken geloken zijn]
Laat de luiken geloken zijn
wiege wiegele weine
en de stilte onverbroken zijn
wiege wiegele wee.
[‘O, als ik dood zal, dood zal zijn]
‘O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleeke oogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.
[Die nacht van zelfvernedering]
Die nacht van zelfvernedering
van deemoed aan de doodensponde
in een gestage preveling:
‘vergeef mijn zonden.’
[Laat ik nu leggen lichte dingen]
Laat ik nu leggen lichte dingen
op haren lijf en gauw verganke-
lijke, laat het zijn rozeranken
en bloemen andere en trosseringen
[Een stille dag is om mij heen]
Een stille dag is om mij heen
en in mij is het leven flauw,
ik voel de angst des wezens nauw
en ben in mijne vrede alleen.
[De lente valt dan in een oude stad]
De lente valt dan in een oude stad
een holgebouwde, waar ik lang
was en nu ga ik in verwachten, dat
open is, en ik voel een wrang
[Om mijn oud woonhuis peppels staan]
Om mijn oud woonhuis peppels staan
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.
Kerstliedje
Zij waren den dag zich moe gegaan
met zwoegen en met gezucht,
in den laten avond kwamen zij aan
in Bethlehem het gehucht.
Regen
De bui is afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond-
gewelfde wolken; over is gebleven
Staren door het raam
Er is een leven in wat bewegen,
de takken beven een beetje tegen
elkaar. Een even beginnen schudt
elke boom: een bezinnen dit,