Laat ik nu leggen lichte dingen
op haren lijf en gauw verganke-
lijke, laat het zijn rozeranken
en bloemen andere en trosseringen
en wiekevlokken van groote bleeke
vlinders en blanke dauw geregen
aan herfstrag, alles wat van de veege
lente nog is, die gauw verstreken;
en iets van zonlicht, nu ik het kuisch
en koel en treurig heb bevonden,
nu mocht ik het sprenkelen in het ronde
rijkelijk om in de doodenkluis...
en ijl gerucht van een mompelwoord
van menschen, die gaan onder het raam,
daar wordt gesproken met uw naam
en ‘zij is dood, ze is dood’ gehoord.