Dit is mijn lot: gebeeldhouwd voor den boeg,
Den scheepsromp achter mij te moeten volgen;
Mijn zegetocht over knielende golven
Aan 't schip te moeten danken dat mij droeg.
De schalmei
Zeven zonen had moeder:
Allen heetten Peter,
Behalve Wanjka die Iwan heette.
Allen konden werken:
Zeeroep
Ik ging gelooven dat ik nu zou rusten,
Den winter in 't ommuurde stadje blijven,
Een huis bewonen, klare zinnen schrijven
En voor het eerst wat langer voortgekuste
Fuego
Zij ging alleen, rhythmisch en roofdierachtig,
Met lange passen nauwlijks rakend de aarde.
Klein leek de dansvloer en zij oppermachtig:
Een tijgerkat gevangen in een gaarde.
Virgo
Zij is aan Allahs engelen gelijk.
'k Verbaas mij soms dat zij op aarde leeft.
Zelfs als zij 't hevigst in mijn armen beeft,
Voel ik nog vaak haar boven mijn bereik.
Zwervenszat
't Meest in nachten als de maan haar stralen
Koud en lusteloos door 't ruim laat dalen,
Ben ik radeloos en denk: ik zal maar ergens
Zwak en zwervens-
Japansche danseres
Zij was zoo tenger dat het wijd gewaad
Haar eerder hulpeloos dan grooter maakte,
Zoo kinderlijk alsof het smal gelaat
Onder de zware wrong zoopas ontwaakte.
In Nederland...
In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
En zooveel schande werd in liefdes naam
EN zooveel schande werd in liefdes naam
Met rein gelaat, gemeen gemoed bedreven,
Dat ik mij vaak genoeg voor liefde schaam
En walging mij belet om voort te leven.
La voyageuse
In Singapore is zij aan boord gekomen
Vlak voor 't vertrek, met dertig stuks bagage;
Den eersten nacht doorspookte ze al de droomen
Van een matroos, gemonsterd onder gage.
O engeitado
Ik voel mij van binnen bederven,
Nu weet ik waaraan ik zal sterven:
Aan de oevers van den Taag.
Aan de gele, afhellende oevers,
Bruiloftslied
Mijn gade, het is goed, wij zullen toeven
In een klein stadshuis, ik zal niet vertrekken,
Al bleven mij veel eilanden te ontdekken
Die zich om mijn afwezigheid bedroeven.
In memoriam mijzelf
Door vijanden omringd,
Door vrienden in den nood
Geschuwd als aas dat stinkt,
Houd ik mij lachend groot,
Liefde
Liefde is niets dan daaglijks verder gaan
Door dorre woestenijen,
Om na den nacht saam moe weer op te staan
Uit duistere valleien.
Bezinning
Na de schrik en
Begenadiging,
Onder 't snikken
Van verzadiging,
Woorden in den Nacht
Voel je hoe ik naar je toe kom?
Je bent naakt in den nacht.
Wacht, ik doe eerst een doek om.
Nog niet, nog niet.
Huivering
Het leven verlangt steeds naar den dood.
Bemin je? Weet jij waar vandaan
Wij kwamen en waarheen wij gaan?
Neen? Nu, wat heeft dan blijven nood?
Voor de verre Prinses
Wij komen nooit meer saam:
De wereld drong zich tusschenbeide.
Soms staan wij beiden 's nachts aan 't raam,
Maar andre sterren zien we in andre tijden.
Avond
Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.
Spleen
Laag hangt een groot en toch gering verdriet.
Het leven is wel mooi en ook wel leelijk.
Men kan elkaar liefhebben en ook niet.
'k Neem wat ik vind en wat ik heb, dat deel ik.
Woninglooze
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.
Het Einde
Nog zweven liedren op den wind
En gaan van mond tot mond,
Van ouder op kind.
Maar 't speeltuig ligt in 't stof geworpen
In mijn Leven
In mijn leven, steeds uiteengerukt
Door de vlagen waar 'k aan blootsta,
Daar 'k niet kan hechten aan liefde en geluk
Die mij zullen drijven tot ik doodga,