EN zooveel schande werd in liefdes naam
Met rein gelaat, gemeen gemoed bedreven,
Dat ik mij vaak genoeg voor liefde schaam
En walging mij belet om voort te leven.
Een felle blos, een bloedgolf stijgt naar 't hoofd,
Het wordt mij beurtlings rood en zwart voor oogen.
Ach, alles wat geluk is wordt geroofd,
Bevochten op almachtige gier en logen.
Maar voor een oogenblik bezinning keert,
Men weet weer de verrukklijke engel veil
Voor alles wat zij maar op aard begeert,
En reinheid zoekt weer in verdriet haar eenig heil.