't Meest in nachten als de maan haar stralen
Koud en lusteloos door 't ruim laat dalen,
Ben ik radeloos en denk: ik zal maar ergens
Zwak en zwervens-
Moe mij laten vallen in het zand,
Zoo voorover en mij wat bedekken
En dan blijven liggen tot mij een komt wekken,
Deernis koestrend op komt rapen
En zoo niet, dan blijf ik slapen.
Maar ik weet dat ik toch voort zal trekken,
Al is uit mijn alles niets geworden,
Al ben ik allengs verworden
Van een sluwen doelbewusten vos
Tot een van die schapen die maar dwalen
Heide en heuvel over, enkel los
Omdat hen de wolf nog niet kwam halen,
Terwijl toch de trouwe hond in 't bosch
Lang al is verdwenen en de
Goede herder zwijgt in zeven talen.
Waarom blijven leven zonder tros,
Alleen, eenzaam zwervende?