In Singapore is zij aan boord gekomen
Vlak voor 't vertrek, met dertig stuks bagage;
Den eersten nacht doorspookte ze al de droomen
Van een matroos, gemonsterd onder gage.
Hij stond des morgens 't wandeldek te wasschen
Nog half versuft, toen zij hem kwam verrassen
En raaklings langs hem in pyama ging
Die strak en soepel om haar heupen sloot,
Of in een ochtendkleed dat open hing
Haar opperst schoon mild aan zijn blikken bood.
Een steelsche glimlach heeft hem dol gemaakt.
Hij staat in 't donker op de hondenwacht
En ziet haar voor zich, wit en naakt,
Verlokkend in den nacht.
Ze is in Calcutta weer van boord gegaan.
Hij moest als wachtsman bij de gangway staan.
Over haar schouder wapperde haar sjaal
In de rukwinden als een smalle vlag.
't Was 't allerlaatste wat hij van haar zag,
Al heeft hij dag en nacht en nog een nacht gedwaald
Door de concessies waar zij wonen mag.
Hij wierp zijn waardloos boeltje op de steenen,
Hij had het leven zijn gelag betaald,
Is in de Chinese Town spoorloos verdwenen
En eindlijk uit den Ganges opgehaald.