Een bloemlezing van gedichten uit de wereld

Bruiloftslied

B

Mijn gade, het is goed, wij zullen toeven
In een klein stadshuis, ik zal niet vertrekken,
Al bleven mij veel eilanden te ontdekken
Die zich om mijn afwezigheid bedroeven.

Niet dicht bij zee, om mijnentwil,
't Werd mij ondraaglijk aan den rand
Der ruimt' te rusten, bij de golven stil:
Bewaar mij diep in 't binnenland.

'n Gewezen vestingstad is goed.
De avondwandeling doen wij om de wallen,
Zien saam zonsondergangen tegemoet
En kudden keeren naar de stallen.

Maar soms speur ik in Westenwinden
De zeeën waarover zij woeien.
Wij gaan naar huis, sluiten de blinden,
Bij 't lamplicht tracht je mij te boeien,

Te doen vergeten 't varend schip in 't duister
Waarop ik iedren nacht kon hooren alle
Golven van alle verten samenvallen
Om mijn onrustig hart gerust te ruischen.

Nooit sliep ik beter, dieper dan aan boord.
't Schip is de lompe wieg die mijn geslacht,
Tot in Groenland, Spitsbergen, Labrador,
Ver van het vaderland heeft voortgebracht.

Maar het is goed, ik zal met jou, lief. wonen
En zwaar gaan van de zorg om jouw bestaan,
En niet tot de eilanden, als zooveel schoone
Slaapsters, mij wachtend diep in de' oceaan.

Dan bloeit je vreegelaat in 't schemerlicht.
Ik zit bij 't uitzichtlooze raam te staren
En denk voorbij de veege straatlantaren,
Hoe 't ijzingwekkend schoone Noorderlicht

Gletschers beschijnt, die eeuwenoude kusten
Tot diep in 't binnenland doen splijten onder
Een ongehoord en nachtenlang gedonder...
Jij komt en kust mij en wil met mij rusten,

Je late' omhelzen in den veilgen nacht,
In 't stille huis dat je zelf hebt gekozen
Voor 't samenleven en gestaag liefkoozen.
Ach, waarom dit en niet de overmacht
Van 't lot, dat zwervend zijn gebied vergroot,
Zeilend op bron- en mondinglooze stroomen,
Waar 't leven oplost tot een ruimschootsch droomen,
En als vanzelve voortvloeit naar den dood?

Maar het is goed, in liefdes naam
Heb je gekozen en hebt mij vertrouwd.
Boven groot zelfverlies, klein zelfbehoud
Blijven wij saam!