Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje
Bij de groote geit.
Geiteke, wat moet je
Vogels.
Daar is een fijn gekwetter in de lucht
Van vele vogelkelen,
Mij blijft dit lichte vogelengerucht
Alwaar ik ga, omspelen.
Maart.
't Is pas Maart, de winterweiden
Dragen nog een waasje wit
En de zwarte akkers beiden
't Zaad nog naakt en omgespit.
Als November is gekomen... Rondeel.
Als November is gekomen
En de regentijd breekt aan,
Als de boomen in de laan,
- Ach, de bladerlooze boomen! -
Oktober.
De blaadjes waaiden
Langs alle wegen,
De blaadjes draaiden
In kringen rond -
Moed.
Geef mij den moed om onrecht te onderkennen,
Ook waar 't door eeuwen van gebruik gewettigd wordt,
Den vasten wil aan onrecht nooit te wennen,
Ook waar de macht, het weg te nemen, schort.
Aan H. v.d. W.-K.
Ik durf met mijn denken
Uw smart niet genaken,
Niet aan te raken
Uw droefenis;
Rozenboompje.
Als de zon des avonds daalt
Staat mijn rozenboom vol rozen
Nog in 't avondlicht te blozen,
Dat zijn kruintje overstraalt.
Sinds ik het weet...
Sinds ik het weet - ik weet het wel, ofschoon
Nog onder ons angstvallig wordt ontweken,
Het booze woord te noemen, dat bij 't spreken
Licht ruw of wat onzuiver klinkt van toon, -
Moeder.
Moeder naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zomermorgen. Rondeel.
Aanstonds, toen ik wakker werd,
Scheen de zon mij in de ruiten
En de vogeltjes daarbuiten,
Van nabij en in de vert,
Jaap
Toen ik even
Van de verzen, die ik las,
De ogen peinzend hield geheven
Tot de vreugd, die buiten was…