Regelmatig gingen regelen wateren
de kust langs, in 't vloedend oneindige,
het water dat zich nooit te reinigen
behoeft - allen, de eerste en de lateren.
Gezichten zaten als gelateren
voor 't bleeke zeeschuime onreinige,
hingen stil met het kalme kwijnige
praten, het stille hangend prateren.
De zee is buiten huis, de eindelooze,
eerst diep en dieper tot het matelooze,
het flauwe land is langs stoffig van 't poozen.
De zee heeft daar de groote strakheden
met blikken en geen enkle zwakheden,
golven der zee, der zeeën vlakheden.