Zooals langs 't schimmig gobelijn
Waar vogelvluchten staan geweven
Die ridders, in het staal verheven,
Omfladdren met hun bonten schijn,
Page
P
Zooals langs 't schimmig gobelijn
Waar vogelvluchten staan geweven
Die ridders, in het staal verheven,
Omfladdren met hun bonten schijn,
Ik wind de wollen sjaal zoo warm
Haar om de schouders, buig mij neder
En kus haar; leunend aan mijn arm
Loopt zij de herfstlaan heen en weder.
Een roos ontluikend en een druif die berst,
In zwellende aar de volle korrels gerst,
Van sparren 't hars, die traan uit overdaad,
Een vogelgorgel waar het lied in slaat,
Als onze ziél niet zong,
En vreugdedansen sprong,
Zouden dan wel de vógels zingen,
De bronnen uit de rotsen springen,
De morgenwind door de open ramen,
De fonkelend gedekte disch,
De koele rust, die niet dan samen
Volkomen te genieten is,