Zooals langs 't schimmig gobelijn
Waar vogelvluchten staan geweven
Die ridders, in het staal verheven,
Omfladdren met hun bonten schijn,
Een blonde page zorgzaam schrijdt,
Wijl met de toppen van zijn teenen
Hij tast, uit vrees de edelsteenen
Te kneuzen van het groen tapijt,
En op zijn toegestoken handen,
Gelijk een rozeblad, rust licht
De sleep der jonkvrouw, die 't gezicht
Niet wendt naar hem wiens oogen branden,
Zoo ík loop langs het eikenhout
Waar, vluchtig-gauw en jeugdig-teeder,
't Sint-Jans-groen lichte veer bij veder
Van blaadjes in de takken bouwt.
Ook ik schroom, waar mijn voet zich zet,
Een dauw van paarlen te vertreden,
Die op de rijk-smaragden kleeden
Van 't zonnig gras zijn uitgespet.
En in een droom van zon en kleuren
Lijkt voor mij uit mijn lief te gaan,
Zacht noem ik haren heilgen naam,
En zoek gebukt haar sleep te beuren.
Maar, armer dan de knaap, geeft mij
Geen plooi den voorsmaak van heel 't wezen,
Een zomerwaan heeft mij belezen,
En 't slanke beeld bleek droomerij.